Maurits van Voolen (1906)

Maurits van Voolen (Hebreeuwse naam: Moshe ben Mordechai) is geboren in Haarlem op 6 december 1906. Hij was de zoon van Gompert (George) van Voolen (Amsterdam 7 mei 1879) en Julia (Julie) van Voolen-Kan (Amsterdam 1885 – Sobibor 1943), die op 15 februari 1906 getrouwd waren in Amsterdam. Vader Gompert en diens oudere broer Israël van Voolen (1875 – Auschwitz 1942) ontvluchtten armoede en werkeloosheid in Amsterdam en stichtten in 1901 een klein warenhuis ´Gebroeders Van Voolen` in Haarlem, waar je van alles kopen kon. In 1903 staat Gompert ingeschreven aan de Kleine Houtstraat 47. In 1907 verhuizen beide families en de firma naar Spaarne 45-47. Op 12 november 1907 wordtde jongere broer van Maurits, Elius (Ee, later Edward) geboren. In februari 1911 leggen I. van Voolen en G. van Voolen de nog steeds aanwezige eerste steen voor het tweelingpand Spaarne 25-27, gespiegelde roodbakstenen huizen, die zij in 1914 betrekken. Een smalle zakeningang aan Spaarne 27 ‘rood’ vormt de verbinding met het magazijn aan Spaarnwouderstraat 3, waar de koopwaar te zien was.

Maurits van Voolen (1906)

Voornaam
Maurits
Achternaam
van Voolen
Geboortedatum
05 december 1906
Geboorteplaats
Haarlem
Sterfdatum
09 januari 1945
Sterfplaats
Extern Kommando Kaufering

Maurits en Elius woonden op nummer 27, naast hun beide neven op Spaarne 25, die ook Elius (1907 -1990) en Maurits (‘Broer’ 1909 - 1944) heetten, zij waren genoemd naar hun grootvaders van vaderszijde, kapper Mozes van Voolen (Hoorn 1844 – Amsterdam 1923), en van moederszijde, borduurder Eli Kan (Meppel 1849 – Amsterdam 1938). Want niet alleen waren hun vaders broers, maar hun moeders Julie en Flora (1883 – 1936) waren ook zusters! Vader George overleed op 31 oktober 1924 aan de complicaties van een longembolie en ligt begraven op de Joodse begraafplaats van Haarlem (oostzijde rij 15 graf 5). Maurits' oom Ies (Israël) nam de zorg voor het gezin over.

Grootvader Mozes van Voolen (1845 – 1923) was kapper in de Amsterdamse Utrechtsestraat. Volgens de verhalen hield hij wel van een neutje. Hier is hij te zien achter het huis aan het Spaarne met zijn drie kleinzonen, die allen naar hem genoemd zijn: links Maurits, geboren in 1906 als zoon van Gompert van Voolen, rechts naast hem de oudste Maurits, geboren in 1902 als zoon van David van Voolen en geheel rechts Maurits ‘Broer’ (1909), de zoon van Israël van Voolen. 

De neven Van Voolen. Links Maurits' neef Elius (1907), tweede van links Maurits zelf, en tweede van rechts zijn neef Maurits ´Broer` (1909). 

Maurits slaagde in juni 1926 in Haarlem voor het gymnasium en ging rechten studeren in Amsterdam. Na het behalen van zijn doctoraalexamen in maart 1931 ging hij aan de slag - hij werkte aan de Keizersgracht 330 in Amsterdam. In veel krantenberichten komt zijn naam voor, als advocaat, procureur of curator. Zelfs nog in oktober van het tweede oorlogsjaar.

23-6-1926

13-3-1931

19-6-1931

18-10-1938

25-10-1941

Maurits en Henny
Op 22 maart 1931 verlooft Maurits zich in Arnhem met Henriëtta (Henny, Hindele bat Gedalia, Arnhem, 2 december 1908). Zij was de dochter van de in Maków Mazowiecki (Rusland, nu Polen) geboren Gdalia Kastan (1871- ?) en Anna Pezon (Linden bij Hannover, 1881- Sobibor 1943) – het huwelijk van haar ouders was op 31 maart 1910 door de Arnhemse rechtbank nietig verklaard.

De verloofden Henny Kastan en Maurits van Voolen

Het huwelijk van Maurits en Henny vond plaats op 22 augustus 1934 in Amsterdam.

Trouwfoto van Maurits en Henny

In ‘De stille slag, Joodse Arnhemmers 1933-1945’ vertelt Margo Klijn (2003) dat toen Henny nog jong was, haar vader verdween uit het gezin. Haar moeder Anna Pezon had een pension in de Pastoorstraat 18 in Arnhem, naast de synagoge. Hier ving ze orthodoxe Oost-Europese Joden op die op weg waren naar Amerika. Ze wordt beschreven als een ‘dame altijd in het zwart met een soort broodtrommel bij zich. Ze liep ermee langs de deur en verkocht thee en koffie.’ De broer van Anna, Moses Pezon (1883 -Auschwitz 1943), was adjunct-secretaris, voorzanger, godsdienstonderwijzer en ritueel slachter van de Nederlands Israëlietische Gemeente van Haarlem. Henny had een oudere zuster, Esther (1907- Sobibor 1943).

Henny zou de oorlog overleven. Na haar dood (20 november 1988) schreef de achterneef van Henny's man Maurits, Edward van Voolen in een necrologie in het Nieuw Israëlietisch Weekblad (25 november 1988) dat Henny opgroeide in een traditioneel Joods milieu en de HBS en een kweekschool bezocht had. Ze gaf een aantal jaren les aan de basisschool van de De Oosterbeekse Schoolvereniging. Hij vermeldt dat zij zich na haar huwelijk met Maurits samen met haar man inzette voor opvang van Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk.

Jullie zult wel al iets vernomen hebben van de vreeselijke razzia, die vandaag de A’damsche Joden geteisterd heeft.

Terwijl ik opgesloten zat op de Keizersgracht, is thuis het vreeselijke gebeurd. Henny, de kinderen, ma, mamma, tante Lize. Alles is weg. Over mijn gemoedstoestand kan ik jullie niet schrijven. Misschien ga ik hen morgen (donderdag) vrijwillig achterna.

Oorlog
Het jaar voordat de Tweede Wereldoorlog uitbrak, werd op 19 mei 1939 de oudste dochter van Maurits en Henny, Georgine Betty geboren.

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers Nederland binnen. In de gedachte dat men Nederland zou kunnen beveiligen waren dienstplichtigen van de lichtingen 1924 tot 1939 eerder opgeroepen, waaronder honderden advocaten. Maurits was daarvan één van de 55 Amsterdamse en één van de 9 Joodse advocaten – zijn onderdeel lag achter Rotterdam aan de Dordtse Kil. Op 14 mei 1940 capituleerde Nederland. Na een avontuurlijke reis langs het gebombardeerde en nog na-rokende Rotterdam vonden Henny en haar zuster Esther Weijel-Kastan hem en zijn zwager Philip Weijel (de man van Esther) ongedeerd in ´s Gravendeel. Nog geen jaar later, vanaf 1 mei 1941 mochten Joodse advocaten, artsen en apothekers geen niet-Joodse cliënten en patiënten meer hebben. Ook moest Maurits moest zijn praktijk opgeven – zijn studievriend Mr. Henk Boekel nam veel zaken van hem over.
De naam van de straat waar het gezin woonde, Sarphatistraat 25 huis, werd door de Duitsers in Muiderschans veranderd omdat Sarphati een bekende Joods-Amsterdamse arts en sociaal hervormer was (na de oorlog werd de oude naam hersteld).

Op 17 september 1942 werd hun tweede dochter, Annelise Julie in het Portugees Israëlitisch Ziekenhuis aan de Plantage Franschenlaan (nu Henri Polaklaan 6-10) geboren – een lichtpunt na de eerste razzia’s en deportaties naar Westerbork op 15 juli 1942. Zwager Philip Weijel was toen opgepakt en gedeporteerd; diens vrouw, Henny´s zuster Esther werd gedwongen met haar kinderen vanuit Zutphen naar Amsterdam te verhuizen.

Henny van Voolen met haar dochters Georgine (links) en Annelise. Foto: Harry Hes, Zaandam

Sinds 22 februari 1942 was Maurits medewerker van de Joodse Raad, op zijn kaart staat als functie eerst getypt: ´Medewerker afd. X.` Afdeling X was de afdeling Sociale zaken aan de Lijnbaansgracht 366. Dit is doorgehaald, daarachter staat met pen: ´ass. kart.`, dat assistent kartotheek zou kunnen betekenen. Verder is bovenaan op zijn kaart aangegeven dat Maurits een ‘Au-Be 170’ had, een Ausnahme-Bescheinigung 170. Dat betekent dat hij bij een groep van 170 medewerkers van de Joodse Raad in bepaalde hogere functies behoorde, die tot het laatst toe vrijgesteld waren.

Toch werd zijn gezin tijdens een razzia op 26 mei 1943 vroeg in de morgen uit huis gehaald. Maurits zelf was toen in het hoofdkantoor van de Joodse Raad aan de Nieuwe Keizersgracht 58. Maurits schrijft op diezelfde dag een wanhopige brief aan vrienden. Hij begint als volgt:

‘Beste vrienden,
Jullie zult wel al iets vernomen hebben van de vreeselijke razzia, die vandaag de A’damsche Joden geteisterd heeft. Terwijl ik opgesloten zat op de Keizersgracht, is thuis het vreeselijke gebeurd. Henny, de kinderen, ma, mamma, tante Lize. Alles is weg. Over mijn gemoedstoestand kan ik jullie niet schrijven. Misschien ga ik hen morgen (donderdag) vrijwillig achterna.’

Uit deze brief blijkt dat zowel Maurits’ moeder Julia van Voolen-Kan als zijn schoonmoeder Anna Pezon en zijn tante, de weduwe Elisabeth Keesing-van Voolen (tante Lize, 1878) in de oorlog bij Maurits en Henny ingetrokken waren.

Maurits verzocht in deze brief zijn vrienden ook om zijn schoonzuster Esther Weijel-Kastan te berichten. Oorspronkelijk in Zutphen wonend, was zij gedwongen geweest met drie jonge kinderen, Meijer Izak (1933), Sallie Leonard (1935) en Anneke Elisabeth (1938) tussen 25 januari en 1 februari 1943 naar Hofmeyerstraat 38 III in Amsterdam te verhuizen. De waarschuwing van Maurits aan zijn schoonzuster mocht niet baten, Esther en haar drie kinderen werden opgehaald en kwamen op 11 juni 1943 aan in kamp Westerbork en zijn op 9 juli 1943 in Sobibor vermoord.

Verder verzocht Maurits om pakjes en brieven naar zijn familie in Westerbork te sturen:
‘Stuur ook brieven. Als je die terugkrijgt, zijn wij doorgestuurd. Stuur dus pakjes tot je zoo’n brief terugkrijgt.’ En onderin als PS: ‘zoek ook contact met mijn broer.’

Zijn vrouw Henny, hun twee kinderen Georgine en Annelise, zijn moeder Julie van Voolen-Kan, zijn schoonmoeder Anna Pezon en zijn tante Elisabeth Keesing-van Voolen kwamen terecht in barak 61 in Westerbork.

Alhoewel Maurits in de brief schrijft dat hij van plan is om zijn familie te volgen naar Westerbork, heeft hij dat niet gedaan. Uit aantekeningen op de Joodse Raadkaarten van Maurits’ moeder Julia en zijn tante Lize blijkt dat hij moeite heeft gedaan om zijn familie uit het kamp te krijgen. Op de kaart van Julia van Voolen-Kan wordt vermeld dat ze de moeder is van Mr. Maurits van Voolen, en op de kaart van Elisabeth staat: ‘Zeer belangrijke functionaris van Controle Commissie. Aanvr. Mr. M. van Voolen.’
Op dezelfde kaart wordt de discussie weergegeven van een poging om Elisabeth Keesing-van Voolen op de Barneveldlijst te krijgen. Dit alles heeft geen resultaat. De laatste zin op haar kaart luidt: ‘Uit W’bork. Verdere stappen geen doel.’ Op de kaart van zijn schoonmoeder Anna Pezon staat alleen maar dat ze ‘bonnenplakster Broodv. 15.7.1942’ (broodvoorziening) was en ‘hartpatiënte’. Op 1 juni 1943 vertrok het transport met de drie vrouwen naar Sobibor, waar ze op 4 juni werden vermoord.

Henny en de twee dochters bleven in kamp Westerbork achter. De twee meisjes waren ziek, ze hadden mazelen met longcomplicaties. De baby Annelise Julie overleed op 1 juli 1943 aan een darminfectie, 9 maanden oud. Op 7 juli werd ze gecremeerd in het crematorium van het kamp (haar urn is na de oorlog bijgezet op de Nederlands Israëlietische Begraafplaats in Muiderberg).

Tien dagen daarna, op 17 juli 1943, lukte het Maurits zijn vrouw en dochter per trein terug naar Amsterdam te krijgen.

Hun kinderarts Philip Hendrik Fiedeldij Dop zorgde ervoor dat de zieke Georgine in de CIZ (Centrale Israëlietische Ziekenverpleging, Jacob Obrechtstr. 92) terechtkwam. Op 13 augustus 1943 werd dit ziekenhuis door de Nazi’s ontruimd. Met behulp van kinderarts Fiedeldij Dop werd Georgine tijdig uit het ziekenhuis gesmokkeld en kon zij onderduiken in het St. Antoniusziekenhuis in Sneek.

Deportatie
Op 22 september 1943 kwam de grootste en laatste razzia. Maurits en Henny stonden niet op de lijst zodat de politie niet naar hen zocht op hun onderduikadres Rubensstraat 54. De situatie was gevaarlijk, want het huis lag schuin tegenover het hoofdkwartier van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung op de hoek van Euterpestraat 99 (nu Gerrit van der Veenstraat). Eerst gingen ze naar een ander adres in Amsterdam, maar het risico voor de bewoners met drie kinderen was te groot. Een week later vonden zij onderdak bij Gerrit en Liesje Smaal, Egelantierstraat in Hilversum, in een klein huis met nog vier andere onderduikers. Na drie weken vond een huiszoeking plaats naar een van de onderduikers. Maurits, Henny en de anderen vluchtten in de kelder maar werden er met geladen revolvers uitgehaald. Ze gingen als ‘strafgevallen’ (onderduik) naar het beruchte ‘Oranje Hotel' in Scheveningen en via kamp Vught kwamen zij op 19 oktober 1943 aan in Westerbork. Beiden hadden een Palestina-verklaring. Dankzij hun Zaanse vriend Georg Rosenbaum, die toegang tot de kamporganisatie had, bleven zij voorlopig van transport vrijgesteld. Tijdens de winter 1943-44 waren ze te werk gesteld in de foliebarak en bij de lompensortering.

Op 5 april 1944 vertrok hun transport vanuit Westerbork naar Theresienstadt. Op Grote Verzoendag, 26-27 september 1944, was besloten Theresienstadt te ontmantelen. De mannen, ook Maurits, werden op 28 september 1944 getransporteerd naar Auschwitz. Op 10 oktober 1944 volgde transport naar Dachau.

Op 12 november 1944 werd hij naar Kaufering (bij Landsberg) doorgestuurd, een van de 11 satellietkampen van Dachau, opgericht in juni 1944 om het tekort aan arbeidskrachten te compenseren en vliegtuigen voor het Duitse leger te produceren. De conditie waaronder de gevangenen moesten werken was zelfs in vergelijking met de concentratiekampen zo gruwelijk en wreed dat de gevangenen na enkele maanden door uitputting, gebrek aan voedsel en kleding, martelingen omkwamen, ‘Vernichtung durch Arbeit.’ Maurits bezweek op 9 januari 1945. Zijn stoffelijke resten liggen in een van de massagraven in de omgeving.

Maurits’ broer Elias, ‘E’ of Edward (1907 – 2004) en diens vrouw Hetty van Voolen-Keesing (1911 – 2008) hebben in Amerika overleefd dankzij de aandrang van Hetty’s ouders, Abraham Keesing en Sara Keesing-Levie, die eerder met hun zoon Gustaaf naar New York gevlucht waren.

Maurits’ tante Sara van Embden-van Voolen (1872) was in Sobibor vermoord (13 maart 1943). Ook de weduwe van zijn oom Gerrit, Rachel van Voolen-Granade (Amsterdam 9 augustus 1877) en hun dochter, Maurits’ nicht Helena van Amerongen-van Voolen (7 mei 1907) werden vermoord, Rachel in Sobibor op 16 juli 1943 en Helena op 3 september 1943 in Auschwitz. Zijn oom Israël van Voolen en diens tweede vrouw Dina ‘Toni’ van Voolen-Eschwege werden op 2 november 1942 naar Auschwitz gedeporteerd en direct na aankomst vermoord. Zijn neef en naamgenoot, Maurits ‘Broer’ van Voolen (1909) stierf vóór 1 april 1944 van uitputting in kamp Warschau, diens vrouw Mally en hun zoontje Johnny zijn vermoord in Auschwitz (3 september 1943). Alleen Israëls oudste zoon, Maurits´ neef Elius (1907-1990) overleefde in de onderduik. Ook de zoon van zijn oom David van Voolen, Maurits´ oudste neef en naamgenoot Maurits (1902) had met vrouw Elza en dochter Ina in Engeland overleefd – zij keerden terug naar Nederland.

Henny en Georgine
Henny was op 23 oktober 1944 ook vanuit Theresienstadt naar Auschwitz doorgestuurd. Vermoedelijk niet lang daarna is zij naar Oederan in Sachsen getransporteerd, een van de vele satellietkampen van kamp Flossenbürg (tussen Chemnitz en Dresden). Oederan was in september 1944 eveneens opgezet om het tekort aan arbeidskrachten te compenseren. In het totaal werden 501 vrouwen, waaronder ca 30 Nederlandse, in drie transporten daarheen vervoerd. Henny overleefde in een munitiefabriek als ‘Häftling’ (gedetineerde) de zware winter 1944-45.

Op 14 april 1945 werd Oederan geëvacueerd, Henny en andere vrouwen kwamen in veewagens na een omzwerving door Bohemen eind april 1945 ‘als door een wonder weer terug in Theresienstadt’ om daar vervolgens op 8 mei 1945 bevrijd te worden door het Rode Leger. Vandaar keerde zij na lange treinreizen door een verwoest Duitsland via Eindhoven, waar zij in quarantaine moest, terug naar Amsterdam, waar zij op 11 juni 1945 aankwam op het Centraal Station. Van Maurits’ collega Henk Boekel hoorde zij dat Georgine in Sneek in het St. Antoniusziekenhuis was. Met een pasje van het Militair Gezag reisde zij naar Friesland.
Het bleek dat Henny en haar dochter Georgine als enigen van het gezin de oorlog hadden overleefd. Het weerzien tussen moeder en dochter in Sneek is hartverscheurend en dat is ook het afscheid van het ziekenhuis:
‘Georgientje was amper aan haar leven begonnen, toen ze eigenlijk al niet meer verder leven mocht. Maar Georgientje LEEFT … nog steeds …! Zij leeft o.a. dankzij goede mensen om haar heen, zoals de Amsterdamse dokter Fiedily Dop; de directeur van het St. Anthonius-ziekenhuis in Sneek, George Disse en zuster Cecile Bosma, die als een moeder voor haar zorgde en over haar waakte.
Als onderduikmeisje werd ze van 1943 tot 1945 ‘verstopt’ in het ziekenhuis; d.w.z. ‘ze was er wel, maar ze was er niet’. Dat betekende, dat zij nooit bezoek kreeg en dat gaf veel verdriet. Het was voor de directeur een reden om vaak even bij haar langs te komen … o.a. met etenstijd. Georgientje had nooit trek - wilde eigenlijk niet eten en dus probeerde hij met grapjes, sprookjes en andere spannende verhalen, Georgientje zo ver te krijgen, dat ze toch wat binnenkreeg.'

Personeel van het St. Anthonius Ziekenhuis met Georgientje

Bron en foto: website http://www.sporenjoodslevensneek.nl/verhalen/georgientje.html

Op 20 juli 1945 verscheen onderstaande oproep in de krant. Henny verzocht om inlichtingen over haar man, het lot van Maurits van Voolen was toen nog niet bekend. Ze werd ondersteund door de studievriend van Maurits, Mr. Henk Boekel.

Georgine gaat een nieuw leven tegemoet; wennen moet ze aan dat andere - veel ruimere - leven. Gelukkig gaat alles goed. Ze ontmoet ‘de liefde van haar leven’ Harry Hes en samen hebben ze twee kinderen gekregen, Annelies en Maurits.
Op aanvrage van Henny en Georgine werden dokter Philip Fiedeldij Dop, George Disse en zijn vrouw Cecile Disse-Bosma in 1976 door Yad Vashem in Jeruzalem erkend als rechtvaardigen onder de volkeren.

Henny zette zich na terugkeer in voor de jonge staat Israël en was mede-oprichtster van het Genootschap Nederland Israël. In 1961 trouwde zij met weduwnaar Geldolph (Dolph) Adriaan Kohnstamm (1908 –1985). Hieronder een fragment uit de eerdergenoemde necrologie die Edward van Voolen over haar schreef:

Nieuw Israëlietisch Weekblad 25-11-1988

Op 27 november 2013 hebben Maurits’ dochter Georgine Hes-van Voolen en
Israëls beide na de oorlog geboren kleinzonen, Edward en Ernst en zijn achterkleinzoon Elias van Voolen, Stolpersteine geplaatst voor de tweelingpanden aan Spaarne 25-27 in Haarlem, ter nagedachtenis aan Julie van Voolen-Kan en Israël van Voolen.

Stolpersteine voor de tweelingpanden Spaarne 25-27 te Haarlem

Edward van Voolen schreef over zijn familie 'Spaarne 25 en 27, Haarlem' in: Denise Citroen, Frits Rijksbaron en Geert Jan de Vries, Joodse huizen. Verhalen over vooroorlogse bewoners, 2015, p. 139-146

Joggli Meihuizen schreef 'Smalle marges. De Joodse advocaten tijdens de Duitse bezetting, Amsterdam 2010, p. 159-161 over Maurits van Voolen.

Henriëtte Boas schreef over Henny van Voolen-Kastan in: Bewust joods levende Nederlandse vrouwen, Kampen 1992, p. 69-81

Foto's: privécollectie

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.