Abraham van Volen

Abraham van Volen is geboren op 27 mei 1911 in Amsterdam. Hij was de oudste zoon van banketbakker Mozes van Volen (Amsterdam, 9 november 1884) en Alida (Aaltje) van Volen-Härtz (Harderwijk, 10 november 1885). Hij was vernoemd naar zijn grootvader Abraham David van Volen (Amsterdam, 1849- Amsterdam, 1942).
Na Abraham werd op 23 april 1914 zijn zus Cato geboren. Twee jongens volgden: David, geboren op 13 november 1915 en Jacques op 9 maart 1924.

Abraham van Volen

Voornaam
Abraham
Achternaam
van Volen
Geboortedatum
26 mei 1911
Geboorteplaats
Amsterdam
Sterfdatum
24 maart 1945
Sterfplaats
Dachau

Abraham studeerde vanaf 1930 handelswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en behaalde zijn doctoraalexamen op 1 februari 1937. Hij werd bedrijfseconoom.

Uit het gemeentearchief van Amsterdam blijkt dat het gezin Van Volen woonde aan het Oosterpark 23 hs. In 1939 was de middelste zoon David, na zijn huwelijk op 15 maart 1939 met Melanie Celine (Millie) Swaab (Amsterdam 25 juni 1916) het huis uitgegaan en woonde boven de banketbakkerij van zijn vader aan de Camperstraat 54 in Amsterdam. Zij kregen op 21 augustus 1940 een zoontje: Max Jacob. David was banketbakker/kok, Millie was ‘herstelnaaister’.

Abraham woonde van april 1937 tot januari 1940 in Eindhoven. Uit een krantenbericht van december 1938 blijkt dat hij schaakte. De in de krant genoemde partij won hij.

Volgens hetzelfde archief verbleef Abraham in het najaar van 1940 een aantal maanden in Den Haag.

Het gezin woonde lange tijd aan de Oosterpark 25 hs in Amsterdam Op 30 april 1941 verhuisde het gezin naar de Zuider Amstellaan 53 I, ook in Amsterdam

Volgens een advertentie in Het Joodsche Weekblad verloofde Abraham zich op 8 mei 1942 met ene Carla Bont. Tot een huwelijk is het niet gekomen.

Elf jaar eerder, in 1931, had hij zich ook verloofd, maar deze relatie zal uitgegaan zijn.

Abraham was ‘medew. afdeling controle‘. Op zijn kaart staat hij beschreven als ´intelligent, goed medewerker´.

De gevolgen van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog voor de familie van Volen zijn enigszins te reconstrueren uit onderstaande krantenberichten, gecombineerd met verhuisgegevens uit het archief van Amsterdam. De bakkerij en het woonhuis aan de Camperstraat kwamen in februari 1941 in de publieke verkoop.
De familie verhuisde op 11 maart 1941 vanuit het Oosterpark 25 hs naar de Brinkstraat 39 in Baarn, om vervolgens zes weken later, op 30 april 1941, terug te verhuizen naar Amsterdam, ze gingen wonen aan de Zuider Amstellaan 53 I.

Publieke verkoop 18-2-1941

Ondanks het bericht over een publieke verkoop bleef Mozes werkzaam in de bakkerij aan de Camperstraat, getuige onderstaand politiebericht van juli 1942.

21 juli 1942

In 1943 voltrokken zich nog dramatischere gebeurtenissen voor de familie Van Volen. Van zoon David is bekend dat hij op 12 juli 1942 werkzaam was als ‘cantinebediende Lijnbaangracht 366’. Dat was het adres van de Emigratieafdeling van de Joodse Raad. In het voorjaar van 1943 werd David, samen met zijn vrouw Millie en hun zoontje Max gevangengezet in kamp Vught. Zij kwamen met het kindertransport op 7 juni 1943 vanuit Vught aan in kamp Westerbork. David werd de volgende dag, op 8 juni doorgestuurd naar Sobibor. Daar werd hij op 11 juni 1943 vermoord. Hij was 27 jaar. Zijn vrouw Millie en hun zoontje Max verbleven nog een week of zes in kamp Westerbork, onduidelijk is waarom. Ze verbleven in barak 58. Op 20 juli 1943 vertrokken ook zij naar Sobibor, om op 23 juli 1943 om het leven gebracht te worden. Melanie Celine van Volen-Swaab was 27 jaar, Max Jacob van Volen was 2 jaar oud.

Op 20 mei 1943 moesten de ouders Mozes en Aaltje van Volen hun huis aan de Zuider Amstellaan verlaten. Hun nieuwe adres werd Retiefstraat 84 in Amsterdam. Een maand later, op 20 juni 1943, kwamen Mozes en Aaltje aan in kamp Westerbork. Mozes had eerder een Sperre vanwege zijn functie als eigenaar van zijn banketbakkerij. Mozes en Aaltje verbleven bijna drie maanden in het kamp. Op 14 september 1943 moesten ze mee met het gecombineerde transport naar Auschwitz en Bergen-Belsen. Hun bestemming werd Bergen-Belsen. De personen in het treingedeelte voor Bergen-Belsen dachten dat ze naar Theresienstadt zouden gaan, maar dit kamp was overvol. Op 25 januari 1944 ging het grootste deel van hen, inclusief Mozes en Aaltje, alsnog naar Theresienstadt. Daar kwam Mozes van Volen om op 20 februari 1944. Hij was 59 jaar.
Aaltje van Volen-Härtz is op 6 oktober naar Auschwitz getransporteerd en is daar op 8 oktober 1944 vermoord. Ook zij, zijnde 1 dag jonger dan haar man, was 59 jaar.

De broers Abraham en Jacques kwamen vrij zeker op 30 juli 1942 aan in kamp Westerbork. Ze kregen daar functies bij de Joodse Raad en tevens de daarbij behorende Sperre. Volgens hun kaarten van de Joodse Raad werd Abraham ‘medew. afdeling controle’ en werd hij beoordeeld als ‘intelligent, goed medewerker’. Jacques werd ‘belast met de verzorging der post J.R.’ Zijn kwalificatie was ‘middelm. ijverig’. Er was vanwege de vele vrijstellingsverzoeken, opgestuurde pakketten enzovoort veel werk voor de postmedewerkers in het kamp.
Hun zuster Cato, die eerder een baan had bij de statistische afdeling van de gemeente Amsterdam, werkte bij de Joodse Raad als steno-typiste. Indruk: ‘gewoon‘. Bij haar staat als aankomstdatum genoteerd: 19 januari 1942. Zij had de vrijheid om heen en weer te reizen tussen Westerbork en Amsterdam. Op een gegeven moment is zij ondergedoken, haar verhaal staat hieronder.

In het voorjaar van '43 kwam Jacques op de lijst van de tot het laatst vrijgestelde medewerkers van de Joodse Raad, zoals op te maken is uit de notitie bovenaan zijn kaart: ‘Au Be’ . Dit betekent 'Ausnahme Bescheinigung’ en staat voor medewerkers van de Joodse Raad met een hogere functie in het kamp. De toevoeging 'Wbk 60' betekende dat hij in barak 60 verbleef.
Op 5 juli 1943 werden zo’n 60 medewerkers van de Joodse Raad vanuit Westerbork teruggestuurd naar Amsterdam, Jacques was hierbij, zijn broer Abraham bleef in het kamp. De reden hiervan wordt duidelijk uit het dagboekfragment uit ‘In Depot’, geschreven door de journalist Philip Mechanicus:

Vandaag is de Joodse Raad geliquideerd. Een deel van zijn leden is hedenochtend naar Amsterdam teruggezonden, zestig met familie, anderen, ook een zestig, zijn voorzien van een rode Z-stempel, hier gebleven en hebben nu dezelfde status als de ‘alte Kamp-Insassen’, die al vierenhalf jaar in het kamp vertoeven. Zij die hier zijn gebleven, zijn zo goed als allen mannen of vrouwen, wier ouders zich eveneens hier bevinden. Zowel zij die hier zijn gebleven als degenen, die naar Amsterdam zijn gegaan, hebben voor een dilemma gestaan. Beide groepen hebben dezelfde trieste ervaring: zij hebben gezien dat gestempelden, die zich hier veilig waanden op een gegeven ogenblik op transport zijn gezonden, ook dat gestempelden die zich in Amsterdam veilig waanden, op een dag uit hun huizen zijn gesleept en via Westerbork naar Polen werden gezonden.

Jacques van Volen keerde 29 september 1943 terug in kamp Westerbork. Hij was een van de 5000 personen die op die dag bij de laatste grote razzia in Amsterdam werd overgebracht naar Westerbork. Onder deze grote groep waren veel medewerkers van de Joodse Raad, ook de beide voorzitters Abraham Asscher en David Cohen hoorden bij deze groep. Amsterdam werd daarna ‘Judenrein’ verklaard.

Op 18 januari 1944 gingen beide broers op het transport naar Theresienstadt. Daar zullen ze hun ouders nog ontmoet hebben, die op 25 januari 1944 vanuit Bergen-Belsen in Theresienstadt aangekomen waren. Vader Mozes overleed een maand later.

De broers Abraham en Jacques werden op 28 september 1944 doorgestuurd naar Auschwitz. Hun moeder Aaltje was op 6 oktober 1944 in Auschwitz aangekomen en meteen in de gaskamer vermoord. Op 10 oktober 1944 werden Abraham en Jacques doorgestuurd naar Dachau.
Abraham van Volens overlijdensdatum is vastgesteld in Dachau op 24 maart 1945. Hij was 31 jaar.
Jacques van Volens overlijdensdatum is vastgesteld in Dachau op 28 maart 1945. Hij was 21 jaar.

Op 24 maart 1944 verscheen onderstaande advertentie in de krant waarin de veiling van de bakkerij vermeld wordt:

Alleen hun zuster Cato overleefde de oorlog. Cato (To) was op 11 juli 1942 met Mozes 'Maurice' Barend (Amsterdam 27 juni 1915) getrouwd, in de hoop dat een huwelijk bescherming voor deportatie zou bieden. To had in 1942 een baan in kamp Westerbork, waarbij zij heen en weer mocht reizen tussen Westerbork en Amsterdam. Een maand na hun huwelijk kregen To en Maurice een Sperre, maar in juni 1943 moest Maurice zich in Westerbork melden. Daar was To ook. Zoals hierboven beschreven werd To en met haar de helft van de Joodse Raadmedewerkers op 5 juli 1943 naar Amsterdam gestuurd, Maurice mocht mee. Op 29 september 1943 was er een grote razzia in Amsterdam, waarbij ook het hele bestuur en alle medewerkers van de Joodse Raad naar Westerbork gezonden werden en de kantoren in Amsterdam werden gesloten. Maurice vertrouwde de situatie niet en wilde onderduiken, To aarzelde in eerste instantie maar volgde zijn raad op. To dook onder in het Drentse Nieuwlande, Maurice in Den Haag. Maurice Barend werd opgepakt en op 5 maart 1944 in Auschwitz vermoord – zijn afscheidsbrief is gepubliceerd in het Auschwitz Bulletin (49,1, januari 2005).
De broer van Maurice, Flip Barend, was de vader van journalist en presentator Frits Barend (1947). (Zie Marijke Barend-van Haeften en Frits Barend, Matze en Mie, Boom 2017, p. 89-92. )

In 1947 trouwde Cato van Volen met Mozes Worms (1912 –1975), die zij al voor de oorlog had leren kennen. Ze kregen een zoon, Marcel. Marcel Worms is een bekend musicus. Ze overleed in 2008. Cato ´To` vertelde haar zoon Marcel altijd dat haar ouders een dag na elkaar geboren waren.

 

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.