Bronnen

Ziekenhuisbarakken kamp Westerbork

Bij de bouw van het Centraal Vluchtelingenkamp Westerbork in 1939 werd rekening gehouden met de opvang van zieken. In de opzet van het kamp was uitgegaan van zoveel mogelijk zelfvoorziening. Lichte gevallen konden in een tot ‘ziekenhuis’ ingerichte barak terecht.

In het begin was deze barak nog provisorisch ingericht. In een naoorlogs verslag schreef Dr. Arthur Bial:

‘(…) instrumenten in de polikliniek beperkt: één pincet en één schaar. Later werd barak H, liggend aan de weg naar Hooghalen, evenwijdig aan de woning van de directeur als ziekenhuis gebruikt. Ingericht met twee mannenzalen, een vrouwenzaal, een kinderzaal, een verlosruimte, twee quarantaineruimtes en twee badruimtes. Verder een dokterskamer, een onderzoeksruimte, een keuken en twee ruimtes voor de verpleegsters.’

Er is een weekoverzicht van 23 februari tot 1 maart 1941 van het aantal zieken in het kamp en het aantal verpleegden in de ziekenhuisbarak. Het aantal zieken in die week lag tussen de vijftig en zesenzestig. Daarvan werden er drieëntwintig tot maximaal tweeëndertig in de ziekenhuisbrak verpleegd. In dezelfde tabel is alleen een overzicht van het aantal mannelijke personen dat werkzaam was in het ziekenhuis, de polikliniek en de tandkliniek. Het aantal varieerde tussen dertig en eenendertig. Cijfers op een totale bevolking van: 711 mannen, 258 vrouwen en 214 kinderen beneden de achttien jaar. Bewoners die niet ter plekke konden worden verpleegd en specialistische hulp nodig hadden, werden doorverwezen naar het Wilhelminaziekenhuis in Assen of het Academisch ziekenhuis in de stad Groningen.

Op 1 juli 1942 werd het kamp officieel door de Duitse bezetter overgenomen en werd de naam veranderd in Polizeiliches Durchgangslager Westerbork. Naast de Nederlandse commandant kwam een SS’er aan het hoofd te staan. Prikkeldraad en wachttorens gaven de grens aan. De ziekenbarak kwam daardoor buiten de omheining te liggen en moest worden verplaatst. Ook een reorganisatie en uitbreiding van het kampziekenhuis werd noodzakelijk. Vooral de binnenkomst van grote groepen zieken, ouden van dagen en gehandicapten in oktober 1942 leidden tot een enorme chaos.

Verpleger Bob Cahen schreef over deze chaos in een uit het kamp gesmokkelde brief:

‘De mensen kwamen hier aan opgejaagd als vee. Sommigen begraven onder hun bagage anderen met helemaal niets bij hen, zelfs niet eens behoorlijk gekleed. Vrouwen die ziek van bed waren gehaald in een dunne nachtpon gekleed. Kinderen in hansopjes op blote voeten, ouden van dagen, zieken en gebrekkigen. Steeds maar door kwamen nieuwe mensen in het kamp. De barakken raakten vol (…) mannen en vrouwen lagen in een zaal. Het was een chaos. Daartussen door moesten wij werken. De patiënten weghalen en verplegen.

Ons ziekenhuis raakte vol, werd uitgebreid met een nieuwe barak, vijf zalen erbij. Nieuw personeel werd aangenomen. Hurry up. Een dag daarna weer vol. Een grote barak werd ingericht als noodziekenhuis. De mensen werden driehoog boven elkaar gelegd. Zes doktoren werkten alleen daar al dag en nacht. Bijgestaan door een staf verplegers en verpleegsters. Er kwamen patiënten en patiënten. Een driehonderd vonden er weer onderdak en ook deze barak was vol. De rest moest blijven waar het was. De verpleging zelf: geen materiaal, po’s en urinalen ontbraken. Borden om te eten waren er niet. Warm water ontbrak. Lakens en dekens waren er niet. En het eerste sterfgeval kwam en er kwamen er meer en regelmatig gingen er twee á drie mensen uit hun lijden.’

In november 1942 werd gestart met de heroriëntatie van het ziekenhuis en de medische dienst. Onder de nieuwe commandant Gemmeker werd de niet-Joodse chef-arts Boezeman ontslagen en kampgevangene Dr. Fritz Spanier benoemd tot chef arts en zijn collega Dr. Bial tot zijn plaatsvervanger en hoofd van de Polikliniek. Het ziekenhuis werd uitgebreid tot 1.725 bedden. Er waren zelfs plannen om de capaciteit tot zo’n 2.500 bedden te brengen. Dit mede op grond van de verwachte komst van grote groepen oude van dagen en zieken uit Joodse verzorg, bejaardentehuizen en verschillende ziekenhuizen.

De uitbreiding betrof niet alleen barakken, bedden en personeel. Om de grote groep zieken goed te kunnen opvangen en te verzorgen, was een Gesundheitsdienst opgezet. Binnen de totale kamporganisatie werd deze dienst met zijn onderdelen ondergebracht bij Dienstbereich 4.

Tot dit Dienstbereich behoorde bijvoorbeeld de hygiënische dienst die in barak 36 zat. Hier werden zowel binnenkomende transporten als reeds in het kamp aanwezige kampgevangenen gecontroleerd op de aanwezigheid van luizen. Bij de constatering van luis werden vrouwen en kinderen in een tweetal zalen van deze barak in quarantaine gehouden. Mannen werden met kaalgeschoren hoofden terug- of doorgestuurd naar de woonbarakken. Later werd een ontluizinginstallatie toegevoegd aan het badhuis in barak 27. Ook kleding en medische instrumenten werden gedesinfecteerd. Vooral toen in het najaar van 1943 het aantal besmettelijke ziekten een hoogtepunt bereikte, hetgeen leidde tot quarantainemaatregelen, kreeg de Hygiënische Dienst het bijzonder druk in het nemen van allerlei stappen en het controleren ervan.

Een laboratorium was er verder voor allerlei vormen van onderzoek, een apotheek voor medicijnen en verbandmiddelen. En hoewel dit onderdeel al in het Centraal Vluchtelingenkamp onder apotheker Altmann functioneerde, was door het gebrek aan aanvoer en de enorme toeloop van patiënten een enorm tekort aan genees- en hulpmiddelen ontstaan. Zo schreef op 10 december 1942 zelfs een patiënt aan zijn voormalige apotheekhoudende huisarts in Scheemda: ‘Stuur tien kokers Ephedron tabletten spoedig s.v.p aan, J. van Geuns, ziekenbarak 82, Lager Westerbork (…).’ Onder leiding van Altmann’s rechterhand Meijer werden contacten gelegd met de directeuren van het Rijksbureau voor Genees- en Verbandmiddelen en het Rijksmagazijn van Geneesmiddelen. Daarnaast werd Meijer belast met de logistiek, controle, spoedbestellingen en de vaste maandelijkse bestellingen. Het Centraal Depot in Veenhuizen functioneerde als vaste leverancier, maar ook apothekers in Assen en Zwijndrecht werden benaderd voor leveranties.

De orthopedische dienst zorgde voor het leveren van steunzolen tot allerlei hulpmiddelen, maar hield zich ook bezig met de reparaties van medische instrumentaria. Een tandartsstation behandelde patiënten zowel in het kamp als in het ziekenhuis. En hoewel de tandartspraktijk in de herinnering van kampgevangenen een provisorisch ingerichte ruimte was, waar verdovende middelen ontbraken, de zenuw onverdoofd behandeld moest worden en moeders trouwring moest worden opgeofferd voor het maken van een stifttand, geven in 1944 gemaakte filmbeelden in ieder geval de indruk van een goed geoutilleerde ruimte met kundige tandartsen.

Een massageafdeling onder leiding van een sportmasseur werd ingericht voor massage en revalidatie; evenals een bestralingsafdeling. En pedicures verzorgden de voeten die zwaar te lijden hadden: ‘Morgen ga ik na de pedicure in mijn schaftijd. Hulp is hier voldoende. Ik had nooit last van mijn voeten, maar ik heb de laatste vier maanden zoveel gelopen dat het noodig is,’ aldus Esther Cohen-de la Bella.

Kappers knipten de haren van binnenkomende strafgevallen, personen waar luizen werden geconstateerd en reeds aanwezige gevangenen. Vanaf april 1943 werden de werkzaamheden van zowel kappers als pedicures beperkt. ‘Met ingang van heden is het de kapsalon verboden te scheren: uitgezonderd hiervan zijn blinden en gebrekkigen en andere kampingezetenen boven de 65 jaar. In de vrouwensalon is met ingang van heden verboden: watergolven, haarverven, manicuren en pedicuren,’ zo is te lezen in Lagerbefehl no. 25.

Er was zelfs een dieetkeuken, waar speciaal voedsel voor patiënten werd klaargemaakt. Dit alles gebeurde op doktervoorschrift. Het verstrekken van speciale maaltijden en extra rantsoenen beperkte zich niet alleen tot de patiënten in het ziekenhuis. Ook ontslagen zieken, aanstaande moeders, baby’s en anderen kwamen daarvoor in aanmerking.

Door het leeghalen van de Joodse ziekenhuizen, instellingen en inrichtingen en doordat ook steeds meer Joodse patiënten uit niet-Joodse inrichtingen moesten vertrekken, was er langzamerhand geen mogelijkheid meer om patiënten met een geestelijke, lichamelijke handicap of psychiatrische klachten elders onder te brengen. In het geval zij niet direct op transport gingen moest er in het kamp een oplossing worden gezocht voor behandeling of opname. Op 19 juni scheef Dr. Lobstein aan zijn collega Dr. De la Parra:

‘L.K. werd van 11 tot 19 deze in barak 3, Psychiatrie verpleegd. Zij is een lijderes aan psychopathie, die in de woonbarak door haar overheerscht optreden lichte moeilijkheden gegeven had, doch overigens psychiatirsch niets bijzonders vertoont. Zij heeft een veelbewogen leven achter zich, werd in het Ned. Isr. Ziekenhuis te Amsterdam behandeld en had zich na zij zegt, ongeveer in juli weer daar voor controle moeten melden. Mag ik haar naar uw polikliniek verwijzen om deze controle ter hand te nemen. Gaarne verneem ik ter gelegener tijd het resultaat.’

Door het statistisch bureau werden in de periode van juli 1942 tot en met december 1943 ook het aantal geboorten en de sterftecijfers in grafieken vastgelegd. Wat het aantal sterfgevallen betreft is er vooral een piek in de maanden maart-juni 1943. Een duidelijke verklaring is er niet. Een reden zou kunnen zijn de binnenkomst van een groot aantal mensen uit verpleeg- en bejaardentehuizen. Daarnaast is er een mogelijk verband met de binnenkomende transporten uit het concentratiekamp Vught. De gevangenen kwamen vaak ziek, ondervoed, verzwakt en vol luizen in kamp Westerbork aan. Philip Mechanicus schrijft op 17 juni 1943 over een uit Vught afkomstige familie: ‘De kindersterfte blijft hier zorgen baren. Van de week twee kinderen in één gezin, een kind van vier en een kind van twee jaar overleden terwijl de vrouw zwanger is van een derde kind.’

Voor wat betreft het aantal geboorten en overlijdensgevallen onder de zuigelingen schreef Philip Mechanicus op 11 augustus 1943 de volgende verklaring in zijn dagboek:

‘Er worden in het kamp veel kinderen geboren. […] Het wemelt in het kamp van zwangere vrouwen, van alle leeftijden. De mannen en vrouwen komen blijkbaar toch nog geregeld in innig contact bijeen in weerwil van de hokken en de schotten, die de autoriteiten hebben opgericht, en van de compactheid van de samenleving. Het blijkt, dat de onmogelijkheid om zich hier te voorzien van anticonceptiemiddelen, de kindergeboorten bevordert. Anderzijds is het sterftepercentage onder de babies eveneens groot; alle jonge moeders, die men ontmoet, klagen over de ellendige toestand van hun jonge kinderen, de artsen bevestigen, dat vele babies ten gevolge van de slechte voedselomstandigheden en de woningomstandigheden overlijden.’

In barak 5, de vrouwenafdeling, was een aparte verlos- en kraamkamer om moeder en kind te behandelen. Na de geboorte werd door de vader, een arts of verpleegster officieel aangifte bij de gemeente Westerbork gedaan. Bij de Fürsorge, een onderdeel van Dienstbereich 10, waar koffers en pakketten van reeds doorgestuurde kampgevangenen werden gesorteerd, konden de ouders kleertjes en andere specifieke babyspullen krijgen.

Binnen Dienstbereich 4 was de polikliniek de spil van de medische zorg in het kamp. De afdeling bevond zich in barak 4. De toegang van de barak, waar ook de apotheek, het laboratorium en de massageruimte was ondergebracht, lag buiten het met prikkeldraad afgezette ziekenhuisterrein. De ruimte bestond uit een wachtkamer, die via een deur toegang gaf tot verschillende kamertjes, waar huisartsen en specialisten hun patiënten ontvingen. Het dagelijks functioneren van de polikliniek viel onder verantwoordelijkheid van Dr. Mannheim en zijn vervanger Dr. Nussbaum. Elke arts had een verpleegster of een verpleger als assistent.

Het grootste gedeelte van de patiënten kwam uit het kamp zelf. De concentratie van grote groepen mensen, de eenzijdige voeding, tocht, koude, slechte hygiëne, vochtigheid en zandstormen, zorgden voor een voortdurende toeloop van zieken. Maar de vatbaarheid voor ziektes was als gevolg van de onzekerheid en angst waarin men verkeerde groot. Voor de patiënten was het ziekenhuis, hoe hectisch het soms ook kon zijn, in vergelijking met de woonbarakken met zijn lawaai, ruzies en voortdurend heen en weer geloop, een oase van rust, een mogelijkheid voor betere en extra voeding en niet te vergeten, een veilige haven, voorlopig althans.

Zolang er voldoende mensen het kamp binnenkwamen en het bepalen van de Transportfähigen dus geen probleem was, gold in het kamp de regel dat gezinnen zo compleet mogelijk werden doorgestuurd. Een ziek gezinslid kon voorlopig uitstel van transport voor het gezin betekenen. En uitstel was belangrijk: het kon de mensen immers dichter bij het einde van de oorlog brengen.

Het ziekenhuis was niet alleen een zorgplek voor daadwerkelijke zieken, maar ook een vluchtplaats voor simulanten. Relaties, vrienden, familieleden, ‘de Vitamine-R’, zorgden niet alleen voor een bed, maar ook voor een langer verblijf. ‘De corruptie tierde er welig.’ Soms werd er in goederen betaald, soms in natura. Het was ook een plek van machtsstrijd en profilering, en net als in de rest van het kamp heerste er een animositeit tussen Nederlandse en Duitse Joden. Niet alleen medische overwegingen maar ook gezag en hiërarchie konden ontslag uit het ziekenhuis bepalen.

Rond juni 1943 was de organisatie rond het ziekenhuis min of meer voltooid en geperfectioneerd. Er konden zelfs operaties worden uitgevoerd in barak 1. De ruimte had naast een operatiezaal, een voorbereidingsruimte en twee ziekenzalen voor zware chirurgische gevallen. Philip Mechanicus schreef in zijn dagboek een half jaar later: ‘

‘Een mooi ziekenhuis: vierkante kamers met tien of 11 bedden, in lichte kleuren geschilderd, centrale verwarming, kastjes boven de bedden, een model-operatiekamer, die kan concurreren met de beste in Nederland. In Westerbork!’

Tot december 1943 zouden 600 operaties worden uitgevoerd. Ter ondersteuning van chirurgen en de tandartsen werd er ook een röntgenafdeling opgezet.

De toewijding van artsen en personeel in het ziekenhuis was ‘voorbeeldig’. Soms leek het of de werkelijkheid van Westerbork, dat van een doorgangskamp, aan hen voorbij ging en de medische ethiek, het redden van mensenlevens, boven alles verheven was. Maar wat stelde die medische ethiek voor als een kind na maandenlange verzorging door een verpleegster en artsen ziek naar de trein werd gedragen. Of die honderden andere zieken, ouden van dagen, geestelijk en lichamelijke gehandicapten, die voor anderen plaats moesten maken of voor wie geen plaats was.

Het ziekenhuis moest de kampgevangenen op het verkeerde been zetten. Hen de illusie geven dat wat er na Westerbork kwam misschien wel mee zou vallen. Zo werden zwaar ondervoedde kampgevangenen uit Vught en Schoorl in het ziekenhuis opgevangen en pas naar maanden van herstel op transport gesteld. Hoogzwangere vrouwen kregen niet alleen uitstel tot enkele maanden na de geboorte, maar zelfs een extra dieet. Kampgevangen, die bij binnenkomst, tijdens hun verblijf, of op het moment dat ze op transport moesten gaan, probeerden zelfmoord te plegen, werden gered om vervolgens een week of enkele weken daarna te worden doorgestuurd

Bij de inkrimping van het ziekenhuis in de zomer van 1943, werd het snel duidelijk dat ook voor degenen voor wie het ziekenhuis een tijdlang een strohalm was om aan vast te klampen, geen zekerheid meer bood. Zonder pardon werden patiënten en personeel op de transportlijsten geplaatst.

In de nazomer van hetzelfde jaar kwamen de laatste groepen Joden uit Amsterdam en Barneveld. Slechts de onderduikers en enkele individuen bleven nog buiten het kamp. Het lot van de tot dan toe vrijgestelden leek nu duidelijk. De enorme toename van besmettelijke ziekten was toch ook een geschenk. Voor de gezondheidszorg niet alleen een uitdaging en een test op zijn medisch kunnen, maar vooral ook een mogelijkheid om quarantainemaatregelen af te kondigen en op die manier de transporten te doen uitstellen.

Tussen 21 september 1943 en 11 januari 1944 zouden slechts twee transporten vertrekken. Maar daarna hervond het kamp zijn ritme. Het ziekenhuis bood geen mogelijkheid meer voor het verkrijgen van een baan en was geen veilige plaats meer voor de patiënten, ziek of schijnziek. Potentiële zieken bleven zelfs liever in hun woonbarak dan in het ziekenhuis. Het was een aflopende zaak.

Het ziekenhuis was een waterhoofd geworden. Begin 1944 ging het gerucht in het kamp dat de zieken die geen Sperre hadden, gebruik moesten maken van een transport naar Theresienstadt. Anders zouden ze bij het volgende transport naar Auschwitz moeten. Op de avond van 8 februari 1944 werd het ziekenhuispersoneel daadwerkelijk hiervan op de hoogte gesteld.

Na dit transport schreef Philip Mechanicus op 9 februari 1944:

‘Het transport van de zieken van de ziekenbarakken naar de trein gisteren tart elke beschrijving. Om twee uur in de nacht zijn de verplegers reeds begonnen met het aankleden van voor transport aanwezigen. O.D.’ers, die met paard en open wagen voorreden, hebben de zieken naast elkaar en op elkaar geschoven, zoals met lijkkisten schuift in een lijkwagen. Terwijl natte sneeuw uit de donkere hemel droop en alles met een klam, klef wit waas bedekte, in het donker van een wintermorgen. Zo zijn ze ook naar de beestenwagen gereden, hobbelend en hotsend, waar zij ook onder de blote hemel stonden, wachtend op hun inlading, zoals men lijken schuift in een lijkwagen. (…) Barak 81 en 82 worden in zijn geheel ontruimd. Over blijven nog de ziekenbarakken 1 tot en met 6.’

Het ziekenhuis mocht dan grotendeels ontmanteld zijn, het bleef in sterk afgeslankte vorm wel tot aan het einde van de oorlog functioneren. En opname gaf in die laatste maanden toch wel weer haar vroegere voordelen. Eind januari 1945 werden Sally Meijer en zijn vrouw Reina Meijer-Stibbe opgepakt en tot 8 weken strafbarakken in Westerbork veroordeeld. In zijn kort na de bevrijding in Westerbork geschreven dagboek noteerde Sally het volgende:

‘Daar mijn vrouw een kwaal had en wij het beter vonden dat zij voorlopig niet in de ‘S’ kwam, liet zij zich hier in het ziekenhuis opnemen. Een maatregel die achteraf prima gewerkt heeft. Daar ik dus het vooruitzicht had mijn vrouw acht weken niet te zien te krijgen, vonden wij toch een middeltje dit te ontgaan. Wij spraken namelijk af op een bepaald tijdstip bij de tandarts en dankzij de medewerking van de OD gelukte dit enige malen. Daar mijn vrouw in het ziekenhuis meer en betere voeding kreeg dan elders in het kamp kon zij mij dagelijks wat sturen, wat ook nodig was, daar wij door de erg lange arbeidstijden veel op konden.’

Achtergrond
*Abuys, Guido, Genezen verklaard voor. Een ziekenhuis in kamp Westerbork (Hooghalen 20006)

*Archief Herinneringscentrum Kamp Westerbork

*Archief NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies - 250i Westerbork, Judendurchgangslager

*Ende, Hannah van de, Vergeet niet dat je arts bent. Joodse artsen in Nederland 1940-1945 (2014)

*Mechanicus, Philip, In Depot. Dagboek uit Westerbork (Hooghalen 2008)

*Moraal, Eva, Als ik morgen niet op transport ga... Kamp Westerbork in beleving en herinnering (Amsterdam 2014)

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.