Sinds het begin van de 19e eeuw woonde de Joodse familie Soosman in Gees. In 1796 kwam een koopman genaamd Soosman Davids uit Westfalen er wonen samen met zijn Nederlandse vrouw en dochter Esther. Met geleend geld kocht Soosman een stuk grond aan de Wevershoek en liet er een huis met slachtruimte bouwen. De bewoners van Gees noemden het al snel het ‘Jeudehoessien’. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde Soosman met Henderina Godschalk. Ongeveer een eeuw later, op 3 mei 1907, trouwden Saartje Soosman (29-04-1874) en Jacob Simons (12-07-1871) in hun geboorteplaats Oosterhesselen. Zij waren neef en nicht en beide achterkleinkinderen van Soosman Davids en Henderina Godschalk.
Foto links: Jacob en Saartje Simons met hun dochter Henriëtte. (foto uit privécollectie familie Philipson)
Jacob en Saartje Simons
- Voornaam
- Jacob
- Achternaam
- Simons
- Geboortedatum
- 12 juli 1871
- Geboorteplaats
- Oosterhesselen
- Sterfdatum
- 23 juli 1943
- Sterfplaats
- Sobibor
Jacob en Saartje woonden in het ‘Jeudehoesien’ aan de Oude Steeg.
'Het Jeudehoessien' (bron: ‘Soosman en Simons,
de geschiedenis van twee joodse families uit Gees’
Vandaar runde Jacob zijn manufacturenwinkel en reed hij met een handkar door de dorpen rond Oosterhesselen en Gees. Saartje was coupeuse en vervaardigde dames, heren en kinderkleding. In mei 1925 verhuisde het gezin Simons naar Coevorden.
Jacob en Saartje (zittend links) voor de winkel in Coevorden (privécollectie familie Philipson)
Zij kregen drie meisjes, Selina (Lien 1908), Henriette (Jet 1911) en Roosje (1914). In 1932 trouwde Lien met Isaac Philipson.
Jacob (links) en Saartje (rechts) met dochter Selina, schoonzoon Isaac Philipson
en het eerste kleinkind (privécollectie familie Philipson)
Jet trouwde drie jaar later met een jongere broer van Isaac Philipson, Jacob. Het stel vestigde zich in Leiden waar Jacob werkzaam was als administrateur van het Joodse weeshuis. De jongste dochter Roosje bleef bij haar ouders in Coevorden wonen.
Al voor de oorlog, op 28 maart 1940, vertrokken Jacob en Saartje met Roosje naar Leiden, waar ze aan de P. de la Courtstraat kwamen wonen. Nadat hun jongste dochter Roosje in juli 1942 in Leiden getrouwd was met Samuel van Os, om daarna het ouderlijke huis aan de P. de la Courtstraat 62 te verlaten om bij haar man in Oss te gaan inwonen, verhuisden Jacob en Sara Simons kort tijd later naar de Franchimontlaan 31.
Roosje en Samuel (privécollectie familie Philipson)
Hier hebben ze slechts enkele maanden gewoond, maximaal een half jaar, eind 1942 of begin 1943 doken zij onder bij de familie van Bellen aan de Oude Rijn 48 in Leiden, waar ook Berta Engelberg-Bienstock uit Den Haag ondergedoken zat (Berta haar man was begin januari 1943 gearresteerd en naar kamp Vught doorgestuurd).
Saartje met dochters Selina en Henriëtte (privécollectie familie Philipson)
Op 23 juni 1943 werd het hele gezin door twee politieagenten opgepakt.
Naar kamp Westerbork
Als Jacob Philipson op 23 juni 1943 ’s avonds zijn schoonouders wil opzoeken op hun onderduikadres in Leiden wordt hij onderweg daar naar toe op straat herkend door twee NSB’er en raakt hij gewond door een beschieting. Hij weet te ontkomen en vluchtte naar zijn schoonouders aan de Oude Rijn 48. Waarschijnlijk is dat Jacob is gevolgd, want enkele uren later wordt de voordeur ingeslagen en worden Jacob en Sara, hun schoonzoon, Berta Bienstock en Theodorus Cornelis van Bellen, die onderdak had geboden aan de drie onderduikers, door de Leidse rechercheurs de Groot en Biesheuvel gearresteerd en hardhandig afgevoerd naar het politiebureau a/d Zonneveldstraat 10.
Vijf dagen later worden Jacob en Sara, samen met hun schoonzoon en Berta ‘s maandag de 28e om 18.55 uur overgeplaatst; van Bellen wordt uiteindelijk vrijgelaten.
Jacob Philipson wordt overgebracht naar het Oranjehotel in Scheveningen waar hij twee weken opgesloten zit in cel nummer 490. Of Jacob Simons, Sara en Berta ook naar het Oranjehotel worden overgebracht is onduidelijk. Na tien dagen in het huis van bewaring te hebben vastgezeten worden Sara en Berta op vrijdag 10 juli overgeplaatst naar kamp Westerbork. Een week later arriveren Sara’s man en haar schoonzoon in het doorgangskamp, ze worden allen ondergebracht in barak 97.
Vier dagen na aankomst van beide mannen in Westerbork werden ze met hun vieren op dinsdags 20 juli op transport geplaatst naar het concentratiekamp Sobibor, Biala Podleska, Polen samen met 2200 andere gedeporteerden. Dit was het laatste transport van Westerbork naar Sobibor, geen van de gedeporteerden van dit laatste transport zou de oorlog overleven.
Na aankomst van de trein in Sobibor worden ze alle vier op vrijdagochtend 23 juli om het leven gebracht in één van de vier gaskamers; later die dag (of mogelijk pas de volgende dag) werden hun stoffelijke overschotten gecremeerd.
Fragment transportlijst 20 juli 1943
(https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=210&miadt=298&miaet=1&micode=804&minr=1030091&miview=inv2
Jacob Simons was 10 dagen voor hij om het leven werd gebracht net 72 jaar geworden, Sara was 69 jaar oud toen zij werd vergast, hun schoonzoon Jacob slechts 40 jaar.
Navrant detail is dat de woning van Jet in de oorlog was verkocht aan een NSB-gezin. Het kostte haar heel veel moeite om de woning terug te krijgen. Teleurgesteld emigreerde ze met haar vijf kinderen in 1947 naar Israël, waar ze een jaar later weer in een oorlog belandde, de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog van 1948. Henriette (nu Jehudit) hertrouwde in 1954 in Tel Aviv met de weduwnaar Shlomo Arie Armon uit Hongarije. In de jaren tachtig van de vorige eeuw bezocht Henriette tweemaal Gees en Oosterhesselen. Zij overleed in juni 1992 in Israël. Haar vijf kinderen namen de achternaam Philipson-Armon aan.
Jehudit en Shlomo (bron: ‘Soosman en Simons,
de geschiedenis van twee joodse families uit Gees’)