Herman was handelsreiziger. Het is bijzonder dat hij al in de vroege jaren ’30 de beschikking had over een auto. Dat hij met die auto een plotseling overstekend paard met groentenkar aanreed haalde de krant.
Foto links: barakken in het doorgangskamp Westerbork (collectie HcKW)
Het gezin Slomper
- Voornaam
- Herman
- Achternaam
- Slomper
- Geboortedatum
- 17 december 1908
- Geboorteplaats
- Amsterdam
- Sterfdatum
- 30 september 1942
- Sterfplaats
- Auschwitz
Herman Slomper werd geboren in Amsterdam op 17 december 1908 als derde kind van Joseph Slomper (Amsterdam, 31 januari 1884) en Rebecca Stork (Amsterdam, 3 maart 1877). Hij had twee oudere zussen en een jongere zus. (*1). Joseph Slomper was ten tijde van zijn huwelijk op 15 februari 1906 in Zaandam papierreiziger; later was hij bedrijfsleider, zo is te lezen in de huwelijksakte van zijn zoon Herman in 1933 en op zijn Joodse Raadkaart.
Uit het register van de militaire keuring weten we dat Herman in maart 1927 woonde in de Tolstraat 49 II in Amsterdam, dat hij het diploma 3-jarige MULO had, magazijnbediende was in een manufacturenzaak en in verband met zijn ogen eerst tijdelijk en later voorgoed ongeschikt werd verklaard voor de militaire dienst. Op de Joodse Raadkaarten van alle leden van het gezin, behalve op die van Herman, staat bij het hoofdje bijzonderheden dat ze liberaal waren. Mogen we daaruit de conclusie trekken dat hun Joods-zijn niet erg op de voorgrond stond in hun leven? Op de Joodse Raadkaarten van twee van de zussen van Herman (Eva en Wilhelmina) staat dat ze op de Calmeyerlijst stonden, een lijst van Joden die konden aantonen, al dan niet met gefingeerd bewijs, dat ze niet voljoods waren en daardoor de toezegging van Hans Calmeyer, een Duitse jurist die tijdens de bezetting in Den Haag werkte, hadden niet gedeporteerd te worden. Dat werden ze uiteindelijk wel, maar daarover later.
NIW, 9 juni 1932
Op 13 september 1933 trouwde Herman in Amsterdam met Elisabeth (Liesje) Mok (Amsterdam, 13 maart 1912). Haar ouders, Marcus Mok (Amsterdam, 23 juni 1879) en Sara Bolle (Amsterdam, 28 februari 1885) hadden drie kinderen, Liesje was de middelste. (*2). In de huwelijksakte staat dat Liesjes ouders beiden zonder beroep waren. Ze woonden aan de Plantage Franschelaan 22 (nu Henri Polaklaan) in Amsterdam.
NIW 26 februari 1932
De familie van Liesje. Joël was de man van haar zuster Martha.
De vader van Liesje, Mark Mok, overleed op 5 mei 1937 in Amsterdam.
NIW, 01-09-1933
Stadsarchief Amsterdam. Handtekeningen bruidspaar, hun beider ouders en twee getuigen,
Joël Levie Frank, de man van Liesjes zus Martha, en zijn vader Israel Frank. Beiden waren grossier, zo staat er.
NIW, 20-09-1933
Na het huwelijk verhuisde het jonge stel naar Groningen. Herman was handelsreiziger, en werkte waarschijnlijk in de noordelijke provincies. Daar kwam hij al voor zijn huwelijk, zo blijkt uit onderstaand krantenartikel. Het is bijzonder dat hij al in de vroege jaren ’30 de beschikking had over een auto.
Nieuwsblad van het Noorden, 13 juni 1931
Herman en Liesje gingen eerst wonen in de De Ranitzstraat 18 in Helpman in Groningen, waar ze in 1935 nog woonden. Vandaar verhuisden ze naar de Helperbrink 47, ook in Helpman. Op beide adressen hadden ze al een telefoonaansluiting, nummer 3249. In de periode dat ze in Helpman woonden werden hun twee kinderen geboren : Betty op 19 juni 1934 en Marcel op 3 september 1936.
NIW, 22 juni 1934
Nieuwsblad van het Noorden, 3 september 1936
Op de avond van 27 november 1942 werden Liesje en haar kinderen Betty en Marcel uit hun huis gehaald.
Op 6 mei 1940 verhuisde het gezin naar Haren en ging wonen in de helft van een grote woning aan de Westerse Drift 35 A. Een paar dagen later brak de oorlog uit. Net als een aantal andere Joodse mannen in Haren kreeg Herman begin juli 1942 een oproep om zich te laten keuren voor plaatsing in een werkkamp. Hij werd goedgekeurd en meldde zich op vrijdag 10 juli in de Emmalaan bij de bus die hem en negen andere Joodse mannen en jongens naar Westerbork bracht. Daar bleef hij een paar dagen, tot hij op 15 juli met het eerste transport uit Westerbork naar Auschwitz werd gedeporteerd. Hij heeft in het kamp werk moeten verrichten, wat hij ruim twee maanden heeft volgehouden. Het is niet bekend wanneer en hoe hij uiteindelijk de dood vond, maar geregistreerd is dat hij op 30 september 1942 niet meer in leven was. Herman Slomper werd 33 jaar.
Op de avond van 27 november 1942 werden Liesje en haar kinderen Betty en Marcel uit hun huis gehaald, en naar het station in Groningen gebracht, vanwaar ze met de trein naar Westerbork werden afgevoerd. Ze bleven ruim twee maanden in het kamp, in barak 64, tot ze op de lijst stonden om op 9 februari 1943 op transport te gaan naar Auschwitz. Daar werden alle drie bij aankomst op 12 februari 1943 meteen vermoord. Liesje Slomper – Mok werd 30 jaar, Betty Slomper werd 8 jaar en Marcel Slomper werd 6 jaar.
Op 8 januari 1943 werd het huis van de familie Slomper leeggehaald. De inboedel werd nauwkeurig geïnventariseerd. Van het bloemenrekje tot de kroonluchter, van de kast met kinderspeelgoed op zolder tot de keukengarnituur met koloniale waren, van de wandspiegel tot het linoleum, alles is pijnlijk precies beschreven en afgevoerd. Met terugkeer van de bewoners werd geen rekening gehouden. Korte tijd later werd de woning toegewezen aan Duitsgezinde mensen.
Lieneke Holle, die aan de Westerse Drift woonde, herinnert zich de familie Slomper niet, maar weet wel dat er NSB’ers of in elk geval zeer Duitsgezinde mensen in het huis kwamen wonen, aan wie de buren een hekel hadden. Lieneke : 'Het was in de zuidelijke helft van een dubbel huis. Op een dag is er een brisantbom op dat huis gevallen (dat was op 20 december 1943). De NSB’er zat in het bad. De man is wel heelhuids het huis uitgekomen, maar zijn hele inboedel is in rook opgegaan. Want niemand wilde hem helpen, terwijl de hele buurt eendrachtig het huis aan de noordkant heeft leeg gesleept. Dat was hun verzet'. (uit Wil Legemaat, Van kwaad tot onvoorstelbaar erger)
Het huis rechts is nummer 35 en is in 1943 afgebrand.
Bron: Harener Historische Reeks 24 - https://fliphtml5.com/teoqu/tddq/15_spreads_Haren_100_%2B/24/
De moeder van Liesje, Sara Mok – Bolle, was al op 7 augustus 1942 uit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd en daar bij aankomst op 9 augustus 1942 vermoord. Zij werd 57 jaar.
Liesjes broer Abraham, die decorateur en tekenaar was, en zijn vrouw Rebecca Wijnschenk werden met het transport van 27 juli 1942 naar Auschwitz gevoerd. Hun beider sterfdatum is 30 september 1942, dus net als Herman, hebben ook zij nog een tijd in Auschwitz arbeid moeten verrichten. Abraham werd 28 jaar, Rebecca 26.
Martha Mok, en haar man Joël Levie Frank overleefden de oorlog en zijn veel later in Amerika overleden.
De familie van Herman, zijn ouders en drie zusters, die behalve Rachel, die in Utrecht woonde, allen in de Cillierstraat 6 in Amsterdam woonden, hadden allemaal een sperre. Zijn vader Joseph omdat hij voor de Joodse Raad werkte, bij de centrale inkoopdienst, en in verband daarmee was ook moeder Rebecca gesperrt. Zijn zussen Eva en Wilhelmina stonden op de Calmeyerlijst, en Rachel werkte bij de Inspectie Niet-Nederlandse Joden van de Joodse Raad en was in verband met die functie gesperrt. De ouders kwamen op 28 november 1943 dan toch naar Westerbork, de dochters die op de Calmeyerlijst stonden op 13 april 1943 en Rachel op 12 juni 1943. Alle vijf werden zij op 15 februari 1944 op transport gesteld naar Bergen Belsen, nadat ze dus maanden in Westerbork waren geweest. Philip Mechanicus beschrijft in zijn dagboek het vertrek van dit transport als volgt :
Mannen en vrouwen die vele maanden in Westerbork hebben vertoefd, velen over het jaar, vertrekken. …. de achterblijvers, enkele duizenden, die met hen die gaan, in een langdurig samenzijn vriendschappen hebben gesloten, vaak oppervlakkig, zoals dat in een hotel gebeurt maar soms ook innnig. Dit maakt het scheiden zo moeilijk, en menig geval zwaar.
Het vertrek is tenslotte toch veel pijnlijker geworden dan wij allen tezamen dachten. Geen pen vermag uit te drukken wat er eigenlijk gebeurt voor en op de dag van zo’n transport, wat er in ons omgaat. Met elke handdruk aan een vertrekkende dringen zielen in elkaar, de handen vatten en omklemmen elkaar, alsof ze elkaar nooit meer zullen loslaten. Het gesproken woord is te veel of te weinig…….. Het gevoel van onrecht, dat de gehele week gesluimerd heeft, ontwaakt plotseling en hevig bij het gezicht van de ontvoering van hun lotgenoten en zij luchten hun gemoed onverholen, eruptief als een krater zijn lava uitstoot. Een orkaan van verachting woedt tegen de mensenrovers.
Bergen Belsen was geen vernietigingskamp, en daardoor een iets betere bestemming dan Auschwitz of Sobibor, waar geen sprankje hoop was op overleving, maar de omstandigheden in het kamp, dat in 1944 overvol was, waren heel erg slecht, er was honger en ziekte, zoals difterie waaraan velen zijn bezweken, uitputting door zware dwangarbeid,en grote onzekerheid over wat er zou gebeuren.
Hermans moeder Rebecca Slomper – Stork overleefde het kamp niet. Zij stierf in Bergen Belsen op 6 januari 1945. Ze werd 67 jaar.
Hermans vader en zijn drie zussen hebben de ellende in het kamp en de transporten uit het kamp wel overleefd, en zijn uiteindelijk teruggekeerd naar Nederland. Joseph Slomper overleed in Bussum op 24 november 1974.
Kaart over Rebecca Slomper uit de Arolsen Archives.
https://collections.arolsen-archives.org/en/document/131686895

https://www.4en5mei.nl/oorlogsmonumenten/zoeken/2721/haren-gedenksteen-bij-de-n-h-kerk
Herman Slomper, Liesje Slomper – Mok, Betty Slomper en Marcel Slomper worden herdacht op het herinneringsmonument in Haren.
* 1: zusters van Herman Slomper
- Eva (Amsterdam 14/7/1906 - ?)
- Wilhelmina (Willie) (Amsterdam 19/10/1907 - ?)
- Rachel (Cella) (Amsterdam 27/3/1911 - ?)
* 2: zuster en broer van Elisabeth Mok
- Martha (Amsterdam 18/12/1909 – USA ?) X Joël Levie Frank (Groningen 7/6/1905 – USA 14/1/1957)
- Abraham (Amsterdam 4/3/1914 – Auschwitz 30/9/1942) X Rebecca Wijnschenk (Amsterdam 21/4/1916 – Auschwitz 30/9/1942)