Edgar Josef Pfifferling

Edgar Josef Pfifferling is geboren op 17 mei 1922 in Eisenach, Duitsland. Edgar is de oudste zoon van Arthur Pfifferling (1887) en Johanna Pfifferling-Katz (1890). Edgars jongere broer was Heinz Erich, geboren op 2 juni 1926, ook in Eisenach. Het gezin woonde aan de Löberstrasse 2-III in Eisenach. Vader Arthur was accountant. Met zijn zwager runde hij een reisorganisatie.

De broers Edgar en Heinz vluchtten in december 1938 naar Nederland. Ze waren toen 16 en 12 jaar oud. Het was de bedoeling om met hulp van familie in Nederland te emigreren naar de VS. Dit is niet gelukt, de broers werden slachtoffer van het Naziregime.

Op de foto: de broers Heinz (li) en Edgar

Informatie en foto's: www.dokin.nl

Edgar Josef Pfifferling

Voornaam
Edgar Josef
Achternaam
Pfifferling
Geboortedatum
17 mei 1922
Geboorteplaats
Eisenach (Duitsland)
Sterfdatum
02 februari 1945
Sterfplaats
Midden-Europa

Hun ouders Arthur en Johanna bleven achter en ook zij overleefden de oorlog niet. Vader Arthur Pfifferling werd wegens ‘ongeoorloofd verkeer met Ariërs’ gearresteerd en naar Buchenwald overgebracht. Daar stierf hij op 29 oktober 1941.
Johanna Pfifferling-Katz stierf na 1942 in het ghetto Bełżyce, een Poolse stad die door Nazi-Duitsland was ingenomen. Bełżyce was een zogenaamd transitghetto, er waren Joden van overal heengebracht, in afwachting van hun transport naar de gaskamers van Majdanek en Sobibor. De hygiënische omstandigheden waren er vreselijk, er heerste tyfus en velen stierven.

De broers Heinz en Edgar Pfifferling

Edgar en Heinz kwamen in Nederland in de Quarantainebarakken van het vluchtelingenkamp aan de Zeeburgerdijk 321 in Amsterdam terecht. Er heerste difterie en waarschijnlijk was dat de reden dat de jongens in quarantaine moesten. De omstandigheden in dit tehuis waren niet best, getuige de observaties die te lezen zijn op de website over Duitse oorlogskinderen in Nederland:

https://www.dokin.nl/refugee_homes/amsterdam-quarantine-facility-zeeburgerdijk/

Ruth Herskovits arrived at the facility in January 1939. She writes:
"The next day we arrived at the quarantine in Amsterdam-Zuid [sic] in the barracks, that were fitted with bunk beds. The food came in huge metal containers and tasted something metallic as well. We stood in line to get a scoop of thick, bright yellow 'chicken soup'. It was almost inedible, and we were not hungry enough to not be critical. Outside it was cold and damp, and the barracks were not adequately heated. It felt as if we were directly exposed to the elements. I thought of home, of our cozy kitchen and the warm nursery. I had had no idea that a central heating system could be something special and that many people lived without that."

Erna Rechnitz writes:
"We drove to the quarantine station just outside the city, very close to the Zuiderzee. It was bitterly cold and through the badly heated barracks the wind was blowing. At night we couldn’t sleep because of the cold and the food was horrible. A stark contrast with what they had told us in Berlin about the children’s homes 'over there'. Nevertheless we were grateful…"

Quarantainebarakken van het vluchtelingenkamp aan de Zeeburgerdijk in Amsterdam

Edgar bepleit in deze brief bemiddeling van de heer Smeets, hij verzoekt om hem naar Amsterdam te sturen waar hij familie en bekenden heeft, zodat hij sneller vorderingen kan maken met zijn emigratie.

De jongens waren niet ziek, getuige het feit dat ze al op 10 januari 1939 overgeplaatst werden naar Jeugdherberg ‘De Kleine Haar’ in Gorssel (onder Deventer). De Kleine Haar is ook heden nog een jeugdherberg.

Edgar en Heinz verbleven hier tot 30 juni van dat jaar. Uit de brief van Edgar aan minister Smeets, minister van Binnenlandse Zaken, geschreven op 23 juni 1939, blijkt dat ‘De Kleine Haar’ per 30 juni 1939 zijn deuren sloot.
(Overigens was de heer B.G.A. Smeets geen minister maar regeringsgemachtigde voor de onderbrenging van Joodse vluchtelingen. Hij had ook de zorg voor de illegale vluchtelingen.)
Edgar bepleit in deze brief bemiddeling van de heer Smeets, hij verzoekt om hem naar Amsterdam te sturen waar hij familie en bekenden heeft, zodat hij sneller vorderingen kan maken met zijn emigratie. Edgar stelt dat de commandant, Herr Luitenant Hübolt, zijn opname in de quarantaine-inrichting aan de Zeeburgerdijk voor hem wil bepleiten.

Brief van Edgar aan 'minister' Smeets

Er werd geen gehoor aan het verzoek van Edgar gegeven. Edgar en Heinz werden vanuit Gorssel overgeplaatst naar het Burgerweeshuis aan de Spieringstraat 1 in Gouda.

Vanuit het weeshuis in Gouda werd Heinz op 16 november 1939 geplaatst in het gezin Birnbaum aan de Diependaalse Drift 24 in Hilversum. De jongen was toen dertien jaar oud. De familie Birnbaum bestond uit Simon Birnbaum, zijn vrouw Jeanne Birnbaum-Lang en hun drie kinderen Eugène, 14 jaar, Doris, 11 jaar en Elly, 3 jaar oud. Vader Birnbaum was directeur van Theaterbioscoop Casino in Hilversum.

Edgar bleef in Gouda, tot 3 februari 1940. Van daaruit ging hij weer terug naar de barakken van het Quarantaineverblijf in Amsterdam. Zijn volgende verblijfplaats was kamp Westerbork. Daar kwam Edgar aan op 27 februari 1940. Kamp Westerbork was toen nog een vluchtelingenkamp voor Joodse vluchtelingen, de oorlog was nog niet begonnen.

Op de persoonskaart van Edgar staat als beroep vermeld: handelaar in ijzerwaren, en zijn contactpersoon was volgens deze kaart Frits Pfifferling. Achillesstraat 37, Amsterdam. Frits, of Friedrich, Pfifferling was de broer van de vader van de jongens.
Door de vroege aankomst in kamp Westerbork behoorde Edgar tot de Alte Kampinsassen. Hij kon een positie opbouwen en kwam op de ‘Tweeduizend-lijst’. Dat was de lijst met de voor het kamp onmisbare werkkrachten. Deze personen kregen voorlopig uitstel van transport.

Op 3 september 1942 kwam ook Heinz in kamp Westerbork aan.
In die tijd moest zijn pleeggezin Birnbaum verhuizen van Hilversum naar Amsterdam en het valt aan te nemen dat Heinz niet mee mocht, maar naar het kamp moest.
Heinz verbleef eerst in barak 3, later in barak 21. Dat was de jongemannenbarak. Via zijn broer kwam ook hij op de ‘Tweeduizendlijst’.
Op de foto staat Heinz met mannen die aan het werk gaan met een lading nieuw binnengekomen barakdelen. Daaruit is op te maken dat hij bij de timmerploeg van het kamp behoorde en daardoor de vrijstelling had.


Medio 1942, Heinz Pfifferling, boven 12e van links

De pleegfamilie Birnbaum kwam op 20 juni 1943 ook aan in kamp Westerbork. Een maand later, op 20 juli 1943, vertrok hun transport naar Sobibor. Daar werden ze 23 juli 1943 alle vijf op vermoord.

Ook voor Edgar en Heinz volgde deportatie. Ze moesten op 4 september 1944 vanuit kamp Westerbork naar Theresienstadt en op 29 september 1944 naar Auschwitz. Vervolgens was op 6 oktober 1944 hun transport naar Golleschau en op 19 januari 1945 naar Sachsenhausen. Edgar stierf bij de evacuatietransporten tussen Golleschau en Sachsenhausen.
De datum van overlijden van Edgar Josef Pfifferling is vastgesteld op 2 februari 1945 in Midden-Europa. Hij was 22 jaar oud.

Op 14 februari 1945 werd Heinz getransporteerd van Sachsenhausen naar Mauthausen. Heinz Erich Pfifferling overleed op 17 maart 1945 in Mauthausen, 18 jaar oud.

Aan de Löberstrasse. 2-III in Eisenach zijn voor de familie Pfifferling Stolpersteine geplaatst. Aan de Diependaalse Drift 24, voor het huis van de familie Birnbaum ligt ook voor Heinz een Stolperstein.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.