
Vanuit het Joodse werkkamp De Wittebrink schreef Abraham Koster naar huis: "Hoofdzaak dat moeder het hoofd omhoog houdt en zich goed houdt en voldoende eet. Dan sla ik mij er wel door heen."
Foto links: Abraham Salomon Koster (collectie HcKW)
Abraham Koster
- Voornaam
- Abraham Salomon
- Achternaam
- Koster
- Geboortedatum
- 26 april 1886
- Geboorteplaats
- Rotterdam
- Sterfdatum
- 19 oktober 1942
- Sterfplaats
- Auschwitz
Abraham Salomon Koster werd geboren op 26 april 1886 in Rotterdam als jongste van de zeven kinderen van Salomon Koster (Rotterdam, 16 maart 1841 – Rotterdam, 26 mei 1911) en Saartje van Frank (Aarlanderveen, 8 maart 1843 – Rotterdam, 20 december 1931). Na de oorlog was geen van de zeven kinderen nog in leven (*1 voor broers en zusters van Abraham).
Geboorteakte Abraham Salomon Koster. Gemeentearchief Rotterdam
Abraham werkte als fabrieksarbeider en magazijnbediende, zo lezen we in zijn huwelijksaktes. Hij trouwde op 13 oktober 1909 in Rotterdam met Rosalia de Wolf. Zij was geboren in Den Helder op 11 maart 1887 als derde van de negen kinderen van Levie de Wolf (Rotterdam, 21 september 1851 – Den Haag, 8 februari 1942) en Marianna Swart (Zwolle, 22 september 1861 – Rotterdam, 1934). (*2 voor broers en zusters van Rosalia).
Getuigen bij het huwelijk van Abraham en Rosalia op 13 oktober 1909 in Rotterdam waren Levie Salomon Koster, magazijnbediende, jongste broer van Abraham, Salomon de Wolf, poelier, oudste broer van Rosalia, Herman David Spier, fabrieksarbeider, de man van Abrahams zuster Selina en Alexander Hartog Velleman, kleermaker, de man van Abrahams zuster Kaatje. (gemmentearchief Rotterdam)
Het echtpaar ging wonen in de Helmerstraat 6b, midden in de Joodse arbeidersbuurt van Rotterdam, die bij het bombardement op Rotterdam in mei 1940 vrijwel geheel werd weggevaagd.
Abraham en Rosalia kregen vier kinderen, allen in Rotterdam geboren: Salomon Abraham (Sal) op 2 februari 1910, Levie (John) op 14 juni 1911, Maurits Abraham (Maup) op 14 maart 1913 en Henry (Harry) op 2 mei 1918. (*3 voor deze kinderen en hun gezinnen).
Rosalia Koster-de Wolf (foto uit privécollectie)
Op 1 februari 1919 overleed Rosalia op jonge leeftijd, waardoor Abraham alleen kwam te staan met vier kleine kinderen, de jongste was slechts 9 maanden oud. Zijn oudste zoon Sal vertelde zijn kinderen later dat zijn vader vanwege het verdriet en de zorgen na de dood van zijn vrouw in één nacht grijs was geworden.
Familiebericht. "Rotterdamsch nieuwsblad". Rotterdam, 03-02-1919, p. 4.
Geraadpleegd op Delpher op 07-03-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010995637:mpeg21:p016
Ruim twee jaar later trouwde Abraham met Keetje Cohen de Solla. Zij was geboren in Amsterdam op 4 oktober 1887 als derde dochter van Mozes Aron Cohen de Solla (Amsterdam, 28 september 1854 – Haarlem, 15 mei 1914) en Judith Vieijra (Amsterdam, 20 januari 1858 – 22 april 1890). Dit echtpaar kreeg vier dochters, van wie alleen Keetje volwassen werd. (zie *4 voor zussen van Keetje).
6 juli 1921 Rotterdam, huwelijk van Abraham Salomon Koster met Keetje Cohen de Solla. Getuigen waren Martinus Ivo en Gerardus Herscheid, beiden bedienden, wonende in Rotterdam. (gemeentearchief Rotterdam)
Samen kregen ze een zoon, Alexander, die in Rotterdam werd geboren op 12 juli 1922. Na het bombardement op Rotterdam gingen Abraham en Keetje met Alexander wonen in de Obreenstraat 28. Iets later in de oorlog kwam zoon Harry met zijn vrouw Gerarda en zoontje Gerard bij hen inwonen.
In juli 1942 werd Abraham gekeurd voor tewerkstelling in een werkkamp. Tussen 30 juli en 6 augustus 1942 schreef hij de volgende brief aan zijn zoon Sal en diens vrouw Mary:
Beste Sal, Mary en kinderen,
In de eerste plaats onze hartelijke felicitaties met Cora haar verjaardag. Jongens, jullie moeten niet kwaad zijn dat je zo laat bericht van ons krijgt. Ons hoofd staat er niet naar. In de eerste plaats kreeg ik een oproep om gekeurd te worden en dat moet morgen Donderdag plaatsvinden, dus daar waren wij al een beetje van ondersteboven. Nu kregen wij donderdagavond een bericht dat Alex opgeroepen is om Donderdagavond te vertrekken, voor werkverruiming in Duitsland, naar het doorgangskamp Westerbork. Jullie kunt begrijpen hoe het op het ogenblik bij ons is. Ik hoop dat wij jullie nog spoedig gauw iets kunnen berichten. Ik wil jullie ook even zeggen dat ik Rie gesproken heb, die komt Zondag naar jullie toe. Nu jongens hartelijke groeten van Moeder, apart van Alex en mij. Vader
Op de achterkant van de brief:
Sal ik moet je nog iets schrijven. Zo je ziet heb ik Rie gesproken, toen heb ik haar gevraagd of ze voor een rugzak voor me weet. Zij heeft me gezegd dat ze zal proberen er voor een te zorgen. Nu schrijf ik jullie dat Rie naar je toekomt. Vanzelf spreken jullie over Alex. Toch zou ik graag willen dat zij er voor zorgde, misschien is die dan goed voor mijzelf, want ik zal ook wel weg moeten. Dus doe mij een plezier als ze er over mocht spreken zeg haar dit dan.
Alex schrijft in deze brief ook een stukje:
Beste Sal, Mary, Cora en Femke,
Zoals jullie gelezen hebt moet ik morgenavond vertrekken. Hoe ellendig dit ook moge zijn, kunnen wij de moed toch niet laten zakken. Wie weet hoe spoedig wij weer terug zijn. Jongens, ik vind het erg dat ik van jullie niet persoonlijk afscheid kan nemen, of je nog eens zien kan. Ik zal de trouwfoto van Maup meenemen, daar staan jullie ook op. Nu Sal, Mary, Cora en Femke, gegroet van mij en tot weerziens hier in betere omstandigheden. Geef ook de families Smit en Dol de groeten, Alex.
Op 6 augustus 1942 schreef Abraham de volgende briefkaart aan Sal en Mary:
Beste Sal, Mary en kinderen,
Wij hebben heden je brief ontvangen en wil je direct antwoorden. Wij hebben gisteren twee briefkaarten van Alex ontvangen en uit allebei spraken veel moed en zelfvertrouwen. Het gezelschap waarin hij zich bevindt was zeer gevarieerd. Zij hadden cabaret, gymnastiek en jiu jitsu met veel belangstelling van publiek. Het eten viel ook nogal mee. Volgens een bericht dat ik zojuist van de familie v Tijn gelezen heb zijn zij reeds uit Westerbork vertrokken, wat ons spijt want wij hadden nog een expresse naar Alex gestuurd. Afijn niets aan te doen, die krijgen wij misschien terug als ze hem niet doorsturen. Zeg jongens wil ik je schrijven dat Harry een half jaar uitstel gekregen heeft nadat Geri twee dagen achter elkaar in Amsterdam was, eerste keer had zij de oproep niet meegenomen. Zeg jongens wij hebben gezocht en gezocht maar hebben niet gevonden wat jullie in de brief hebben gedaan, dat heb je zeker vergeten. Ik schrijf direct als ik van mezelf iets hoor. Vele groeten van Moeder, Geri, Harry en kind en mij Vader.
Ter verduidelijking: Alex werd met het transport van 3 augustus naar Auschwitz gedeporteerd. De familie van Tijn, is de familie van Eva, die met Maup Koster was getrouwd. Zij werden op 7 augustus gedeporteerd uit Westerbork naar Auschwitz. Harry was gemengd gehuwd, vandaar dat hij uitstel van deportatie had gekregen.
Abraham schreef op 17 augustus 1942 onderstaande kaart aan Sal en Mary om te vertellen dat hij was opgeroepen om naar het werkkamp te gaan.
Uit privécollectie
Kennelijk was Abraham op zijn 56ste nog gezond en fit genoeg, want hij werd dus goedgekeurd en op 18 augustus 1942 eerst naar Werkkamp Giesbeek bij Arnhem en later naar de Wittebrink bij Hummelo gestuurd, waar de gevangenen zwaar lichamelijk werk moesten verrichten. Het kamp lag aan de Zelhemseweg niet ver van Hummelo en was al voor de oorlog, in 1937, gebouwd. Voordat in augustus 1942 Joodse dwangarbeiders in De Wittebrink kwamen, hadden er werklozen uit Rotterdam gezeten die in de bossen tewerkgesteld waren. De gevangenen sliepen in twee woonbarakken. De barak van beheerder Burggraaf stond aan de doorgaande weg. Deze beheerder staat in de overlevering bekend als een hulpvaardig mens, die waar het kon een oogje dicht deed. Verder was er een opslag voor groente en kolen, een kantine, een opslag voor dekens en strozakken en een pomphuis. De gevangenen sliepen op stapelbedden in de woonbarakken. Deze barakken hadden binnen een wasruimte en buiten een primitief toilet. Dat bestond uit een dubbele rij van acht emmers, gescheiden door schotten, voorzien van een dak en afgesloten met een halve deur. Ook voor de Joodse mannen bestonden de werkzaamheden uit het kappen van bomen, en het egaliseren van gronden, alles in opdracht van de Heidemaatschappij. Dat dit niet voor iedereen even gemakkelijk was, blijkt wel uit de briefkaarten van Abraham aan zoon Sal en schoondochter Mary in Delft.
Op 19 augustus kwam de eerste kaart van Abraham uit het werkkamp:
Beste Sal, Mary en kinderen,
Zo je ziet ben ik in het RWK geplaatst. Ik kan met het oog op de kleine plaatsruimte niet veel schrijven, echter het gaat op het ogenblik niet slecht. Onze behandeling laat tot op heden niets te wensen over, doch ik kan er nog niet veel over schrijven daar ik nog geen ervaringen heb. Dit komt later wel. Nu beste kinderen, geef allen de groeten van mij en wees zelf gegroet, van Vader
PS, ik was eerst geplaatst in RWK Giesbeek bij Arnhem doch zo jullie ziet zitten wij nu in een ander kamp, waar wij ‘s morgens om 4 uur naartoe gingen. Dit ligt bij Doetinchem, Nou beste kinderen houd jullie ook goede moed en tot ziens. Vader.
Onderstaande kaart was van 22 augustus 1942:
RWK Witte Brink Hummelo
Beste kinderen en kleinkinderen
Ik heb je briefkaart ontvangen. Ik begrijp heel goed dat jullie geschrokken waren te vernemen dat ik naar een werkkamp getransporteerd ben. Ik kan je schrijven dat het werk dat ik doen moet zwaar is. Het is van de Heidemaatschappij. Bosgronden ontginnen. Echter de tijd zal moeten meewerken om ons dit te leeren. De behandeling en bewassing gaat best, het eten normaal. Hoofdzaak dat moeder het hoofd omhoog houdt en zich goed houdt en voldoende eet. Dan sla ik mij er wel door heen. Sal en Mary je kunt gerust sturen wat je wil ik mag alles ontvangen dat is gelukkig in orde. Dat zij in Den Haag weg moesten wist ik al, ik vind het ook heel erg ook je broers moesten weg misschien egoistisch doch dit vind ik erg. Hopen maar dat dit spoedig ten einde mag zijn. Nu jongens houden jullie ook goede moed groet je ouders van mij en zelf gegroet van vader.
Uit privécollectie
Op 5 september 1942 schreef Abraham deze kaart:
Beste Sal Mary en kinderen
Welbedankt voor je brief en je bemoedigende woorden. Ik weet ook dat er niet veel nieuws is, ook bij ons is dit zoo. Je weet niet altijd wat te schrijven. Toch vind ik het prettig niet vergeten te worden, ook door je familie. Nou jongens, groet je ouders en Broer Zuster Zwager voor mij en kust de kinderen. Zelf gegroet, Vader
Onderstaande brief is van onbekende datum maar uit het geschrevene kan worden opgemaakt dat Abraham nog niet zo lang in het kamp was, dus misschien eind augustus 1942:
Beste Sal, Mary en kinderen,
In de eerste plaats mijn hartelijke dank voor het pakje mij gezonden. Dit viel in goede aarde. Wat tabak betreft, ik geloof niet dat ik nog een tabakskaart krijg. Doch afijn dat zie ik dan wel en wil het jullie dan nog wel schrijven. Nu wil ik je even schrijven hoe het bij ons in het kamp is. Wij zijn met 45 Rotterdammers aangekomen. ‘s Morgens om 5 uur moeten wij opstaan en krijgen dan een soort pap. Om 6 uur moeten we aantreden en gaan daar in militair gelid met 4 man naast elkaar naar het werkobject, dit is een afstand van 1 ½ uur. Dit werkobject is een groot bos waar zij de bomen van afgehakt hebben, doch de grote wortels hebben laten zitten die moeten wij er uit halen en de grond gelijk maken. Je kent dat wel zoals de Schiekade is. Wij werken tot ‘s avonds 5 uur en marcheren dan weer in gelid onder joodsche geleide naar huis, weer 1 ½ uur. Thuisgekomen gaan wij ons waschen, er is een pracht van een waschgelegenheid en doescellen. Na het waschen wordt het eten gehaald. Dit gaat nogal het is goed te eten, het kan echter wat meer zijn. Hoewel wij voor de Heidemij werken krijgen wij toch maar de helft van een half broodje per dag. Wij mogen niet te veel eten hebben doch hard en zwaar werken. Dank zij Moeder, zij heeft mij een paar roggebroodjes gestuurd en nog veel andere dingen. Heb ik wat meer brood. Er is een mooie cantine, daar kunnen wij onze avonden in doorbrengen. Ja jongen, dat kost geld, meer dan ik ooit heb uitgegeven. Zij hebben kelners aangesteld, die moeten wij iedere week een kwartje geven. Daar op het werk is er een voorman, ook die krijgt iedere week een kwartje, die willen wij tot goede vriend houden. Maar ja, dat kan een poosje goed en dan is het op. Doch als het zover komt dan schrijf ik moeder wel om bij te springen. Wij krijgen 1 gulden zakgeld dus ik kan vooruit. De eerste week behoefden wij Zaterdag en Zondag niet te werken doch nu is dit veranderd en moeten we Zaterdag halve dagen werken. We worden betaald per uur maar je begrijpt dat wij zo goed als niets verdienen. We kunnen 30 cent per uur halen met aftrek van kostgeld, dan 20% omdat wij joden zijn, loonbelasting, verplicht ziekenfonds. Nou jongen, hoe vind je zoo een salaris. Gelukkig krijgt moeder wat ik blijf hopen haar uitkering van Unilever. Nu jongens, nogmaals mijn hartelijke dank voor het pakje en nu weet je ook meteen de indeling van mijn werk. Nu jongen schei ik uit, ik heb nog zoveel te schrijven. Groet je ouders van mij, kust de kinderen en wees zelf gegroet van mij Vader
Op 15 september 1942 schreef Abraham de volgende brief naar Sal en Mary uit het kamp in Hummelo:
Lieve kinderen en kleinkinderen,
Ik heb jullie brief ontvangen en was zeer in mijn schik toen ik de portretten van jullie allen zag. Jongens wat staan jullie er keurig op, ook de kinderen. Ik heb ze aan ieder laten zien. Allen waren vol bewondering. Het is wel goed dat je niets gestuurd heb want deze week is er een ander omdat onze kampbeheerder een week weg is. Die persoon kennen wij nog niet dus is er een zeker gevaar aan verbonden. We worden juist hedenavond aan hem voorgesteld. Zo jongen ben jij ook gekeurd? Ik hoop voor je gezin dat je het geluk mag hebben niet van hen gescheiden te worden. Mocht dit ongeluk je toch treffen bedenk dan dat het nog beter is in een Nederlands kamp dan dat je net als Alex Maup en Eva naar Polen moet. Ja Sal, vraag niet waar ik het aan verdiend heb. Je zou evengoed kunnen vragen waar hebben bijna alle doorsnee joden het aan verdiend. Je weet toch zelf wel waar het om gaat. Alle joden moeten uit het maatschappelijk of gemeenschapsleven verdwijnen, dat is niets persoonlijks. Alhoewel een ieder dit voor zichzelf voelt. Ik ben overtuigd dat er geen joods gezin meer bestaat waarin geen ellende heerst. Ik wil je nu het een en ander van ons leven buiten het werk vertellen van de dag indeling heb ik je reeds geschreven. Je eerste vraag of ik nog op een bepaalde tijd naar huis mag durf ik je geen bevestigend antwoord op te geven. Ik weet wel zoiets wordt er wel gemompeld, maar ik heb nog nergens feiten gehoord en geloven doe ik het niet temeer daar ik bij ons in het kamp een ervaring heb opgedaan dat iemands moeder gestorven was en ten tweede dat iemands vrouw geopereerd was en een spoedtelegram kwam om naar R te komen doch konden van bevoegde instanties geen toestemming krijgen. Dus van naar huis gaan geloof ik niet veel van. Nu Sal, in de eerste plaats wat mijn leefwijze betreft het volgende: ik ben al sedert Vrijdag 8 dagen geleden niet meer aan het werk geweest daar ik gedurende al die tijd een geweldige diarree had echter nu ik schrijf is het over en zal ik wel spoedig het werk hervatten. De tijd die ik doorbreng na de arbeid is deze: om 5 uur zijn wij thuis dan gaan wij naar het waslokaal, dat is een grote zaal met wel ongeveer 20 kranen plus een doescel en wassen ons. Daarna als allen thuis zijn, dit is ongeveer 6 uur wordt er gefloten om koffie te halen, ongeveer 15 minuten later, dit is ongeveer half zeven wordt er weer gefloten voor het eten te halen. Zoals je reeds weet zijn wij met 7 man op een kamer, de kok weet precies hoeveel man er op iedere kamer zijn, daarna regelt hij het portie voor elk. Na het eten waschen wij gezamelijk de boel af. Hierna is men geheel vrij in zijn doen en laten. De een gaat voor zijn kamer zitten de ander ervoor. Ook is er een cantine waar men zich kan verpozen met praten, biljarten, domino, damspel, schaakspel en anderen. Vanzelf kan men daar iets gebruiken zoals koffie limonade ook wel fruit doch dit laatste is al zeer schaars en vreselijk duur. Wat denk je van een prijs van 35 cent het pond? Van cabaret of iets dergelijks is geen sprake. Wel is er iemand in het kamp met een accordeon. Nu wat Zaterdag en Zondag betreft, Zaterdag werken wij tot 12.30 uur. Bij thuiskomst gaan wij in bad hoewel je dit ook in de week doen kunt. Daarna ben je geheel vrij in het doen en laten en kun je jezelf vermaken met wat men kan. doch meestal wordt de tijd in beslag genomen met brieven schrijven, want kinderen, ik heb tegenwoordig geweldig veel te schrijven. Van Moeder ontvang ik veel post, ook van de andere familie dus moeten allen beantwoord worden. Ook is er bij ons een Pool die kan alleen Jiddisch schrijven en daar ben ik de secretaris van. Sal jij kent hem misschien wel. Tante Eef van oom Sam heeft een zuster, zo’n zenuwachtig mens, daar is hij mee getrouwd, Kijk maar of ze zijn naam kan lezen, hij heet Lampasiak. Zondags zijn wij vanzelf vrij, dan staan wij om zeven uur of half acht op en verder zie je de dag maar door te brengen bij die en gene. Want je voelt je allemaal als gelijkwaardige. Er is bij ons een contact commissie gevormd die de belangen van allen bij de Kok Kampbeheerder bepleiten. Deze commissie heeft al veel en goed werk verricht want je begrijpt wel dat er ook verschillende intellectuele mensen bij zijn en contact met de beheerder hard nodig is daar anders iedereen met kleine en grote klachten steeds bij die man zouden aankomen. Zodoende behandelen zij dit en goed. Ook hebben wij en juist ik op mijn kamer iemand uit Breda deze Heer is lid dier Joodsche gemeente. Nu tellen wij onder al dit vol(k) wel drie menschen die dienst kunnen doen voor Gazzen. Zodoende hadden wij vrijdagavond (dit zal jij wel niet geweten hebben) Nieuwjaar. Toen werd er in de cantine sjoel gehouden. Dit wordt echter iedere Vrijdagavond en Zaterdag gedaan doch nu was het bijzonder, er werd ook Sjaufor geblazen. De cantine wordt hier vrijwillig voor afgestaan. Ook Zondag hebben wij een leuke middag gehad nadat de sjoel was beeindigd, het was Zondag ook nog Nieuwjaar, hadden wij een feestelijke bijeenkomst. Er werden Joodsche als niet Joodsche voordrachten gehouden, redevoeringen ik bedoel meer toespraken gehouden, kortom een zeer gezellige middag. Echter werd er in die toespraken ook naar voren gehaald het vertrek van onze kinderen naar Polen. Ja jongen, toen kreeg ik het te kwaad doch vermande me gauw. Nu wat het schoonmaken betreft daar zijn zes mensen voor aangewezen, meest invaliden echter zij verdienen meer dan wij met hard werken. Want wij worden wel betaald ik kan er eigenlijk maar niet goed bij. Dit weet ik wel, Moeder kreeg na een volle week werk 7.81 moest zijn f.8.99 doch ik had vier uur verlet voor tandarts en wordt f.3.50 betaald voor de kost, 20% afgetrokken omdat wij jood zijn 2% ziekenfonds, 1 cent schoppengeld. Afijn ik weet er geen touw aan vast te maken. Ik geloof nu wel dat ik je brief beantwoord heb en bedank jullie nogmaals voor de prachtige foto’s geef allen de hartelijke groeten van mij kus de kinderen ook aan Mary en gegroet van mij Vader
Op 18 september 1942 schreef Abraham aan Sal en Mary:
Beste Sal en Mary en kinderen
Ik heb je onlangs geschreven met sturen van een en ander te wachten tot de volgende week. Ik haast me je te schrijven indien je van plan bent dit te doen doe het deze week en dan nog zo spoedig mogelijk. We verwachten iedere dag nieuwe instructies en dan kan het wel eens afgelopen zijn. Dus wat ik nog krijgen kan moet ik nog meenemen, hoewel ik een beetje vrij ben het te vragen hoop ik dat je het me niet kwalijk neemt. Nu beste kinderen, groet ik jullie en je hoort nog wel van mij. Tot ziens.
Uit privécollectie
In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 moesten de Joodse dwangarbeiders onder bewaking te voet naar Hummelo. Waarschijnlijk zijn zij vervolgens met het trammetje van Laag-Keppel naar Dieren gegaan en vandaar naar Arnhem, vanwaar ze per trein naar Westerbork werden vervoerd. Daar werd Abraham verenigd met zijn vrouw Keetje, die ook naar Westerbork was gestuurd. Samen met Harry was zij op 2 oktober uit het huis aan de Obreenstraat gehaald en via Loods 24, het beruchte verzamelpunt in Rotterdam, naar Westerbork gestuurd.
Op 20 september 1942 had zij nog de volgende brief geschreven aan Sal en Mary:
Beste Sal, Mary en kinderen,
Bij deze zend ik je een foto van Alex. Zoo vader me geschreven heb is Sal ook gekeurd voor het werkkamp. Ik hoop echter dat hij niet weg moet, want je zal toch ook wel weten dat je je moet aangeven dat je gemengd gehuwd bent evenals Harry, die heeft ook vrijstelling. John is ook goedgekeurd doch we weten van hem nog niets met het oog op Bertie en Dien. John zijn baas is weggehaald want dat is een Roemeen. Verschenen week zijn hier alle buitenlandse joden weggehaald. Het is gewoon een ramp zoals ze met de mensen leven er is geen gezin of er is leed, ieder op zijn manier. John dacht er nu doorheen te komen en nu staat hij weer brodeloos. Van onze Alex heb ik nog niets gehoord, dat is nu al 6 weken dat hij weg is. Van vader krijg ik af en toe bericht. Verleden week is hij ziek geweest, nu is hij aan het werk gegaan. Ook schreef vader dat wij geen pakjes meer mogen sturen, want komen veranderingen in het…. Gelukkig heb ik van de week nog een pakje gestuurd. Nu jongens, ik hoop maar dat we gauw van die ellende verlost zullen worden. Ontvang de groeten van Harry en Gery en de kleine jongen en apart van mij en een zoen voor Cora en Femke. Moeder
Abraham en Keetje zaten op het transport van 16 oktober 1942 naar Auschwitz, en beiden werden daar bij aankomst meteen vermoord. Abraham Salomon Koster werd 56 jaar, Keetje Koster – Cohen de Solla werd 55 jaar.
Keetje Koster - Cohen de Solla (uit privécollectie)
Keetje Koster – Cohen de Solla met de oudste dochter (Cora) van Sal en Mary
(foto uit privécollectie)
Huwelijk Maurits Abraham Koster met Eva van Tijn op 6 augustus 1941 in Rotterdam. Helemaal rechts Abraham Salomon Koster, tweede rij links staat Keetje Koster – Cohen de Solla, tweede van rechts naast zijn vader staat Alexander Koster. Dit is waarschijnlijk de foto die Alexander meenam toen hij werd gedeporteerd, of het was een andere foto van dezelfde gelegenheid. (foto uit privécollectie)
Gedenkteken bij de plek van het werkkamp De Witterbrink.
'Je weet toch zelf wel waar het om gaat. Alle joden moeten uit het maatschappelijk of gemeenschapsleven verdwijnen, dat is niets persoonlijks.'
Op 29 juli 1942 hadden 2.000 Joden uit Rotterdam een oproep voor de Arbeitseinsatz gekregen. Er meldden zich de volgende dag, op 30 juli 1942, 1100 mensen om zes uur bij Loods 24. In twintig personenwagons werden ze midden in de nacht getransporteerd naar Westerbork. Zoals we al zagen in zijn brief aan Sal en Mary was een van hen Alexander Koster, de zoon van Abraham en Keetje, die aan het begin van de oorlog stond ingeschreven als student wiskunde aan de Technische Hogeschool in Delft. Deze groep van 493 vrouwen en meisjes en 520 mannen en jongens werd met het transport van 3 augustus 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. Alexander heeft daar nog geleefd tot 21 augustus 1942. Hij werd 20 jaar.
Overlijdensakte uit Auschwitz van Alexander. Hij heeft twee weken in Auschwitz moeten werken.
Falen van hart en vaten wordt opgegeven als doodsoorzaak…..(akte in familiebezit)
Alexander Koster en Alexander met zijn nichtje Cora
Struikelstenen voor Abraham, Keetje en Alexander (foto's uit privécollectie)
*1: Broers en zusters van Abraham Salomon Koster
● Mozes Koster (Rotterdam 28/3/1875 – Diemen 1/9/1935) X Mietje Cohen (Harlingen 22/3/1875 – Amsterdam 19/8/1936)
o Salomon Koster (Bergh 21/3/1904 – Merkelbeek 13/9/1974)
o Hermanus Koster (Schiedam 17/10/1904 – Amsterdam 30/11/1932)
o Betje Stella Koster (Bergh 27/6/1905 – Auschwitz 3/9/1943)
o Louisa Catherina Koster (Amsterdam 11/7/1914 – Auschwitz 3/9/1943)
o Arie Louis Koster (Amsterdam 21/8/1917 – Auschwitz 21/1/1944)
● Abraham Koster (Rotterdam 27/6/1876 – 17/12/1881)
● Selina Koster (Rotterdam 13/4/1878 – Auschwitz 15/10/1942) X Herman David Spier (Dordrecht 20/4/1874 – Auschwitz 15/10/1942)
o Heijman Salomon Spier (Rotterdam 24/11/1902 – Auschwitz 30/9/1942)
o Dina Saartje Spier (Rotterdam 22/6/1904 – Auschwitz 23/8/1942) X Abraham Pijpeman (Utrecht 3/1/1906 – Auschwitz 30/9/1942). Dit echtpaar had twee kinderen: Meijer Pijpeman (Rotterdam 16/7/1932 – Auschwitz 23/8/1942) en Selina Rebekka Pijpeman (Rotterdam 26/8/1939 – Auschwitz 23/8/1942)
o Salomon Heijman Spier (Rotterdam 15/2/1906 – Auschwitz 30/9/1942)
o Sara Spier (Rotterdam 7/8/1907 – Sobibor 23/4/1943) X Abraham Hartog Marcus Bloemendal (Rotterdam 10/11/1904 – Mauthausen 7/10/1942). Dit echtpaar had twee kinderen: Marcus Mangels Bloemendal (Rotterdam 14/2/1936 – Sobibor 23/4/1943) en Selina Hendrine Bloemendal (Rotterdam 21/4/1940 – Sobibor 23/4/1943).
o Alida Henriëtte Spier (Rotterdam 20/9/1915 – Auschwitz 30/9/1942)
● Henriëtte Koster (Rotterdam 23/3/1880 – Auschwitz 29/10/1942) X Abraham van Zanten (Rotterdam 31/8/1879 – Auschwitz 29/10/1942)
o Salomon van Zanten (Rotterdam 23/12/1915 – Auschwitz 30/9/1942) X Marianna Schwarzman (Rotterdam 31/3/1919 – Auschwitz 30/9/1942)
o Mietje Henriëtte van Zanten (Rotterdam 7/4/1921 – Auschwitz 30/9/1942) X Marcus Salomon Knap (Rotterdam 9/1/1921 – Auschwitz 30/9/1942)
● Kaatje Koster (Rotterdam 20/6/1882 – Auschwitz 29/10/1942) X Alexander Hartog Velleman (Rotterdam 16/8/1875 – Auschwitz 29/10/1942)
o Saartje Velleman (Rotterdam 10/1/1904 – Auschwitz 5/8/1942) X Izak Bonavang (Rotterdam 17/11/1901 – Auschwitz 30/9/1942). Dit echtpaar had een dochter: Roza Bonavang (Rotterdam 6/6/1928 – Auschwitz 5/8/1942)
o Salomon (Charles) Velleman (Rotterdam 18/5/1905 – Auschwitz 30/9/1942) X Jacoba Jaantje (Co) Meijer (Deventer 14/4/1906 – Auschwitz 5/8/1942). Dit echtpaar had twee kinderen: Betje Catharina Velleman (Rotterdam 17/5/1932 – Auschwitz 5/8/1942) en Alexander Hartog Louis Velleman (Rotterdam 28/10/1933 – Auschwitz 5/8/1942)
o Izaac (Jack) Velleman (Rotterdam 9/7/1906 – Auschwitz 17/8/1942) X Sophia (Fietje) Meijer (Deventer 29/7/1904 – Auschwitz 5/8/1942) Zij was een zus van Co Meijer die met Jacks broer Charles was getrouwd. Dit echtpaar had twee kinderen: Louis Alexander Velleman (Rotterdam 9/3/1930 – Auschwitz 5/8/1942) en Katharina Bertha Velleman (Rotterdam 30/12/1931 – Auschwitz 5/8/1942)
o Herman Velleman (Rotterdam 23/5/1913 – Midden-Europa 31/3/1943) X Wilhelmina Josephine van der Sluis (Rotterdam 11/9/1914 – Auschwitz 5/11/1942). Dit echtpaar had een dochtertje: Kitty Evaline Velleman (Den Haag 21/5/1940 – Auschwitz 5/11/1942)
o Karel Velleman (Rotterdam 3/2/1917 – Breda 14/12/1986) X Leentje Knap (Rotterdam 26/4/1921 – Vlaardingen 9/6/1991). Dit echtpaar had een dochter: Kitty Velleman (?)
● Levi Salomon Koster (Rotterdam 25/9/1884 – Auschwitz 22/10/1942) X Kaatje Helena Eliasar (Rotterdam 31/10/1881 – Sobibor 30/4/1943)
o Henny Koster (Amsterdam 23/6/1916 - ?)heeft de oorlog overleefd.
*2: Broers en zusters van Rosalia de Wolf:
- Salomon de Wolf (Rotterdam 3/4/1882 – Auschwitz 22/10/1942) X Eva van der Sluijs (Rotterdam 13/10/1882 – Sobibor 14/5/1943)
- Mariana de Wolf (Rotterdam 20/4/1905 – Sobibor 23/4/1943) X Marcus van Leeuwen (Rotterdam 25/4/1906 – 1931) en Joseph van der Sluis (Middelburg 19/4/1905 – Sobibor 23/4/1943). Met haar eerste man had Mariana vier kinderen: Benjamin van Leeuwen (Rotterdam 23/4/1926 – Sobibor 23/4/1943), Salomon van Leeuwen (Rotterdam 8/4/1927 – Sobibor 23/4/1943), Rachel Eva van Leeuwen (Rotterdam 13/10/1928 – Sobibor 23/4/1943) en Abraham van Leeuwen (Rotterdam juni 1930 – 21/11/1930). Met haar tweede man had Mariana drie kinderen: Margaretha van der Sluis (Rotterdam 28/1/1934 – Sobibor 23/4/1943), Abram van der Sluis (Rotterdam 15/4/1937 – Sobibor 23/4/1943) en Israël Levie van der Sluis (Rotterdam 6/11/1942 – Sobibor 23/4/1943)
- Abraham de Wolf (Rotterdam 30/1/1907 - ?) X Henriëtta Bernardina Maria van Hilst (Waalwijk 1906 - ?). Dit echtpaar had een zoon: Salomon de Wolf (5/11/1930 - ?)
- Levie David de Wolf (Rotterdam 5/6/1909 – 28/7/1909)
- Markus de Wolf (Rotterdam 11/6/1910 – Neuengamme 21/2/1945) X Trijntje Cornelia Neleman (Rotterdam 1912 - ?). Dit echtpaar had een zoon: Salomon de Wolf, die met zijn moeder de oorlog heeft overleefd.
- Sientje de Wolf (Rotterdam 24/5/1913 - ?)
- Susanna Rosalia de Wolf (Rotterdam 26/10/1915 – Sobibor 21/5/1943). Zij had een dochter: Maria Helena Marianna de Wolf (Rotterdam 23/1/1943 – Sobibor 21/5/1943)
- Levie David de Wolf (Rotterdam 11/8/1918 – Auschwitz 31/1/1943) X Naatje Fuld (Rotterdam 14/2/1918 – Auschwitz 12/10/1942). Dit echtpaar had een zoontje: Salomon de Wolf (Den Haag 11/4/1942 – Auschwitz 12/10/1942)
- Rosalia de Wolf (Rotterdam 21/5/1921 – Alkmaar 26/12/1995) X Daniel Lemmers (?)
- Susanna de Wolf (Amsterdam 26/11/1883 – Auschwitz 5/10/1942) X Salomon Berkelouw (Rotterdam 26/1/1876 – Auschwitz 5/10/1942)
- Louis Berkelouw (Rotterdam 12/7/1904 - ?) X Cornelia Carolina van Duin (Rotterdam 1909 - ?)
- Leentje Berkelouw (Rotterdam 4/10/1911 – Auschwitz 30/4/1943) X Jan Joris Schiltmans (Antwerpen 1915 - ?)
- Mariana Elisabeth Berkelouw (Rotterdam 23/3/1913 – Sobibor 14/5/1943) X Meier van Coeverden (Rotterdam 6/4/1909 – Sobibor 14/5/1943). Dit echtpaar had een zoon: Daniel van Coeverden (Rotterdam 17/4/1934 – Westerbork 26/4/1943)
- Cornelia Berkelouw (Amsterdam 27/12/1914 - ?) X Pieter Johannis Vermeer (1911- 1983). Dit echtpaar had een zoon: Pieter Johannis Vermeer (Rotterdam 22/12/1938 – 4/1/1982)
- Hartog Lion de Wolf (Den Helder 14/2/1889 – Den Haag 16/3/1941) X Susanna van der Sluis (Middelburg 15/10/1893 – Auschwitz 30/9/1942). Dit echtpaar had twee kinderen: Israël de Wolf (Rotterdam 30/11/1921 – Auschwitz 30/9/1942) en Antonia de Wolf (Rotterdam 1/8/1924 – Auschwitz 30/9/1942)
- Eduard de Wolf (Den Helder 26/10/1890 – Auschwitz 5/11/1942) X Elisabeth de Winter (Rotterdam 26/11/1890 – Auschwitz 5/11/1942)
Eduard en Elisabeth (bron: joodsmonument.nl) -
- Mariana de Wolf (Rotterdam 3/3/1913 – Sobibor 28/5/1943) X Hartog Dagloonder (Rotterdam 28/1/1914 – Mauthausen 2/9/1941). Dit echtpaar had twee kinderen: Esther Dagloonder (Rotterdam 24/10/1935 – Sobibor 28/5/1943) en Eduard Dagloonder (Den Haag 20/1/1941 – Sobibor 28/5/1943)
- Geertruida de Wolf (Rotterdam 16/7/1915 – Sobibor 28/5/1943) X Simon David Meijers (Enschede 10/11/1916 – Sobibor 28/5/1943)
- Levie de Wolf (Rotterdam 25/8/1917 – Auschwitz 30/9/1942) X Dora Spiero (Den Haag 29/5/1918 – Auschwitz 30/9/1942)
- Jacob (Jacques) de Wolf (Rotterdam 8/10/1919 - 25/4/2001) heeft de oorlog overleefd. Zijn eerste vrouw Naatje Glaser niet(Rotterdam 7/1/1924 - Auschwitz 5/11/1942). Na de oorlog trouwde hij met Geertruid (Truus) Bierman 21/2/1924 - 16/6/2016) Ze kregen kinderen.
- Rosalia de Wolf (Rotterdam 16/3/1921 – Auschwitz 2/11/1942) X Abraham Lavino (Rotterdam 23/6/1918 – Mauthausen 5/11/1942). Dit echtpaar had een zoontje: Meijer Lavino (Rotterdam 21/5/1940 – Auschwitz 5/11/1942)
- Hartog de Wolf (Rotterdam 22/11/1923 – Auschwitz 30/9/1942)
- Susanna Elisabeth de Wolf (Rotterdam 23/5/1925 – Auschwitz 30/9/1942)
- Hendrika Johanna de Wolf (Rotterdam 15/4/1930 – Auschwitz 5/11/1942)
- Salomon Eduard de Wolf (Rotterdam 6/11/1932 – Auschwitz 5/11/1942)
- Alexander Benjamin de Wolf (Rotterdam 26/6/1936 – Auschwitz 5/11/1942)
- Benjamin de Wolf (Amsterdam 22/11/1893 – Auschwitz 12/2/1943)
- Alexander de Wolf (Amsterdam 22/11/1893 – 1/1/1981) X Netta Kokernoot (1893 – 1981)
- David de Wolf (Zwolle 5/6/1896 – Auschwitz 25/11/1942) X Sara Barendse (Rotterdam 6/6/1897 – Auschwitz 15/10/1942). Dit echtpaar had een zoon: Levie de Wolf (Rotterdam 8/2/1920 – Sobibor 30/4/1943)
- Louis de Wolf (Rotterdam 12/7/1904 - ?)
*3: kinderen van Abraham Salomon Koster en Rosalia de Wolf:
● Salomon Abraham (Sal) Koster (Rotterdam 2/2/1910 – Delft 2000) X Maartje (Mary) Smit (Delft 6/5/1910 – 1/10/2004). In de oorlog hadden zij de zorg voor twee dochtertjes, Cora (1937) en Femke (1942), na de oorlog kregen ze nog drie dochters: Mary Anne (1946), Dorine (1950) en Annelies (1953).
Sal Koster was decoratieschilder, reclameschilder en kunstenaar. Hij volgde een opleiding tot decoratieschilder aan de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam, de voorloper van de Willem de Kooning Academie. Hij assisteerde bij het werk aan bioscoop Tuschinski in Amsterdam Na de oorlog werkte hij als reclameschilder voor diverse bioscopen in Rotterdam, Den Haag en Delft. Hij was lid van de Delftse kunstenaarsvereniging Kring '46. Zijn kunstwerken bevinden zich overwegend in privécollecties.
Tijdens de oorlog kreeg hij in eerste instantie een Ausweis als gemengd gehuwde Jood, waarop vermeld stond dat hij voorlopig was vrijgesteld van arbeidsinzet. Maar in 1944 (vermoedelijk in het voorjaar van dat jaar) moest hij naar een werkkamp voor gemengd gehuwde Joden in Havelte, waar de Duitsers in het Holtingerveld een vliegveld wilden bouwen: Fliegerhorst Havelte. Aannemer van dat project was de firma Walther & Kottmann.
Hij moest daar ontginningswerk doen op de hei, en omdat hij reclameschilder was kreeg hij daarnaast de opdracht om bordjes “verboden toegang” te schilderen en die op de hei te plaatsen. Sinds enkele jaren staat daar een gedenkteken. Na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, werden de Joden “ontslagen” door de firma Walther & Kottmann, waarna Sal te voet de terugreis naar Delft aanving. Omdat de Duitsers zich na Dolle Dinsdag herpakten, werd ongeveer een derde van de ontslagen Joden weer opgepakt (en vermoedelijk naar Westerbork gebracht). Sal slaagde erin zich overdag te verbergen en ’s nachts te lopen. Hij kwam na een week thuis aan. Daarna is hij “ondergedoken”, dat wil zeggen dat hij bij dreigend gevaar (bijvoorbeeld razzia’s in het kader van de arbeidsinzet), in een zelf gegraven keldertje onder de keukenvloer van de buurman kroop. Zijn valse persoonsbewijs gebruikte hij vermoedelijk bij een hongertocht naar Gorinchem, tijdens de hongerwinter.
Vals persoonsbewijs van Sal Koster, onder de naam Jan Barendrecht (foto’s uit familiebezit)
Bewijs van vrijstelling arbeidsinzet voor Sal Koster, oktober 1942. (foto uit familiebezit)
Ontslagbrief uit Havelte: ontslagen wegens “beëindigen der werkzaamheden met de opdracht zich zo spoedig mogelijk naar de woonplaats te begeven. Het Gemeentebestuur wordt verzocht de distributiebescheiden aan den betrokkene af te geven.” (foto uit familiebezit)
Monument Havelte (foto uit familiebezit)
Familiebericht. "Rotterdamsch nieuwsblad". Rotterdam, 24-10-1932, p. 16. Geraadpleegd op Delpher op 07-03-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB32:164661060:mpeg21:p00016
Bertie met Keetje Koster – Cohen de Solla, zijn stiefoma. (foto familiebezit)
John en Dien zijn pas laat opgepakt, waarschijnlijk omdat Dien en Bertie ziek waren. Op 13 mei 1943 kwamen zij aan in Westerbork, vanwaar ze op 25 mei 1943 naar Sobibor werden getransporteerd. John schreef een brief uit Rotterdam aan zijn broer Sal, waarschijnlijk in november of december 1942 (Harry is op moment van schrijven nog in Westerbork, en “we hadden al meer dan drie maanden weg kunnen zijn”, zijn vader en Alexander vertrokken in augustus):
Beste Mary, Sal en kinderen
Wij hebben jullie brief ontvangen zodat jullie bemerkt dat wij nog hier zijn. Van Gerie hebben wij eerst zondag iets vernomen. Wij zien haar ook nooit maar zoals jullie weet woont haar zuster bij ons op de trap, zodat wij haar eerst Zondag spraken. Zij woont nu alleen in de Obreenstraat, want Harry is nog steeds in Westerbork. Volgens Gerie moeten vader en moeder reeds doorgezonden zijn na elkaar eerst in Westerbork ontmoet te hebben. Tante Lien en gezin, tante Jet en gezin en tante Kaatje met haar man zijn ook reeds weg. Sedert 3 oktober ben ik niet meer op straat geweest met het oog dat men de menschen van de straat oppikt, zodat ik zonder werk ben. Met Bertie is alles nog hetzelfde alsook met Dien. Jullie begrijpt wel de spanning waarin wij steeds verkeren als ‘s avonds de bel overgaat. Maar wij hebben nog een troost, nl wij hadden al meer dan drie maanden weg kunnen zijn zoals de anderen, doch zijn nog steeds hier. en iedere dag is er een. Wij vernamen ook dat Stella Spier de doodstijding ontvangen heeft van haar man, Bram Bloemendaal, die zoals jullie weet reeds maanden weg is. Bij Van Tijn is alles leeggehaald zodat het bij Maup ook wel geschied zal zijn daar hij ook bij een van de eerste transporten behoorde. Zondag vroegen wij Gerie of zij jullie op de hoogte heeft gehouden, wat niet het geval was, zoodat wij toch van plan waren jullie te schrijven. Nu beste jongens, wij hopen Mary eens gauw hier te zien, daar zij de enige is die het persoonlijk contact kan onderhouden. Vrienden enz. zien wij hier niet meer, die schijnen bang te zijn om te komen (zo zie je vrienden in den nood). Nu jongens, tot ziens en het allerbeste. Dag hoor, gegroet van Dien en Bertie. John
Ter verduidelijking: Gerie is de vrouw van Harry. Zij was niet Joods. Tante Lien, tante Jet en tante Kaatje zijn allen zusters van Abraham Koster, de vader van John en Sal. Stella (Sara) Spier is de dochter van tante Lien. Van Tijn is de familie van Eva, de vrouw van Maup, de broer van John en Sal.
● Maurits Abraham (Maup) Koster (Rotterdam 14/3/1913 – Auschwitz 4/9/1942) X Eva van Tijn (Rotterdam 3/2/1915 – Auschwitz 30/9/1942)
Overlijdensakte voor Maurits uit Auschwitz. Maurits heeft ruim drie weken in Auschwitz moeten werken, hij was met het transport van 7 augustus naar Auschwitz vervoerd. Ontsteking aan het hart zal hoogstwaarschijnlijk niet de doodsoorzaak zijn geweest…… (foto uit familiebezit)
Maurits en Eva Koster. (Foto’s familiebezit)
Eva Koster-van Tijn
● Henry (Harry) Koster (Rotterdam 2/5/1918 – 17/9/1969) X Gerarda Jacoba Vreeken (Hillegom 21/12/1920 – Rotterdam 20/8/1997). Zij hadden tijdens de oorlog twee kinderen, Gerard (1941) en Cockey (1943) en kregen na de oorlog nog Hennie en Karel.
Harry kwam begin oktober 1942 net als zijn vader en stiefmoeder aan in Westerbork. Hij was samen met zijn stiefmoeder Keetje Koster Cohen de Solla uit hun huis in de Obreenstraat gehaald en naar Loods 24 in Rotterdam gebracht vanwaar zij naar Westerbork werden gevoerd. Vanuit Loods 24 schreef hij een kaart naar Sal en Mary:
Beste Sal en Mary,
Je zult het slechte nieuws wel vernomen hebben, wij zitten reeds van vrijdagavond in de loods. Wij werden onverwachts weggehaald. Wij hadden in het geheel geen proviand bij ons. Wij zijn van ‘s avonds 9 uur tot de volgende morgen 12 uur nuchter op een plank zitten dutten. Je zult wel kunnen begrijpen dat wij geradbraakt waren. Waarschijnlijk gaan wij nu (zaterdagavond) op de doorreis naar Westerbork. Ik moest ook mee naar Westerbork daar er hier geen bevoegde instantie is maar ik heb wel moed dat ik in Westerbork teruggestuurd word.Je begrijpt het tumult toen de politie ons gelastte mee te gaan. Nu Sal, Mary kinderen, gegroet van Moeder en mij Harry.
Hij stond met zijn vader en stiefmoeder op de transportlijst naar Auschwitz van 16 oktober 1942. Harry bleef echter achter in Westerbork omdat hij getrouwd was met een niet-Joodse vrouw. Dat was ook de reden voor zijn vrijlating op 4 december 1942. Toch werd Harry niet met rust gelaten, want omdat hij aan het begin van de oorlog dienstplichtig was als soldaat bij de infanterie, werd hij op 12 juli 1943 als krijgsgevangene geïnterneerd in kamp Amersfoort. Van daaruit kwam hij terecht in kamp Mühlberg, vervolgens in Brüx, in het huidige Tsjechië, in een fabriek van de Sudetenländische Treibstoff Werke AG. Harry werd in 1945 in Tsjechië bevrijd door de Sovjet troepen en naar Weert gerepatrieerd.
Bewijs van gevangenname in Mühlberg. Hij kwam uit kamp Amersfoort.
Bewijs dat Harry in Brüx 6 weken was opgenomen met Malaria.
Harry’s bewijs van repatriëring in Weert op 25 mei 1945
*4: Zusjes van Keetje Cohen de Solla:
● Hanna Cohen de Solla (Amsterdam 27/8/1883 – 1887)
● Ester Cohen de Solla (Amsterdam 6/12/1885 – 1900)
● Minette Cohen de Solla (Amsterdam 22/8/1889 – februari 1890)
Alle foto’s, brieven en kaarten zijn ter beschikking gesteld door kleindochters van Abraham Koster, Mary Anne Koster en Annelies Koster.