Abraham de Wilde en Sophia Snuijf

Sophia Snuijf en Abraham de Wilde leerden elkaar kennen op dansles. Sophia was het tweede kind in het grote gezin van Jozef Elias Snuijf en Eva Cats in Amsterdam en Abraham was een zoon uit het gezin van Levie de Wilde en Rachel Baars. Abraham was een slimme jongen, getuige het feit dat hij op de lagere school de 4e klas mocht overslaan. Hij wilde onderwijzer worden, maar moest na de lagere school toch meteen het diamantvak in omdat er geen geld was om hem verder te laten leren. Sophia en Abraham trouwden op 11 november 1903 en gingen in de 2e Jan Steenstraat 117 wonen. Daar kregen ze twee dochters: Rachel en Eva. In 1906 verhuisden ze naar de 2e Jan Steenstraat 85, waar Debora en Judith werden geboren. Judith zou nog geen twee jaar oud worden. In 1913 verhuisde het gezin naar de Linnaeusparkweg in de Watergraafsmeer. Tegenover het huis lagen toen nog weilanden. In de muziektent in het Oosterpark werden regelmatig uitvoeringen gegeven waar de familie vaak in vol ornaat naar toe ging. Abraham ging daarnaast ook dikwijls een wandelingetje maken in het Oosterpark samen met de buurman. Er werd dan druk over politiek gepraat. Debora vertelde later dat pa eens op een avond erg laat thuis was gekomen uit het Oosterpark. De mannen hadden toen zo intensief gediscussieerd dat ze niet gemerkt hadden dat het park werd gesloten. Ze hadden over het hek moeten klimmen om eruit te komen, wat thuis diepe indruk maakte..

Abraham de Wilde en Sophia Snuijf

Voornaam
Abraham en Sophia
Achternaam
De Wilde - Snuijf
Geboortedatum
09 september 1875
Geboorteplaats
Amsterdam
Sterfdatum
29 oktober 1942
Sterfplaats
Auschwitz

Sophia was een wat nerveuze, zorgelijke huisvrouw. Ze hield van muziek en luisterde graag naar concerten van het Concertgebouworkest op de radio. Hierbij kon ze horen of het Mengelberg was die dirigeerde. Paul, haar oudste kleinkind, herinnert zich haar 'Gottegot Abraham' als een gevleugeld gezegde. Over haar dochter Debora zei ze altijd: 'Abraham, ik maak me zorgen over dat kind, dromen is al wat ze doet.' Maar Abraham zag het niet zo somber in. Dat lag wat anders als er gewinkeld werd. Als Sophia zei 'Abraham, ’t is een koopje,' antwoordde Abraham: 'Aan koopjes ben ik m’n centen poter' (= kwijt).

Abraham was diamantsnijder. Debora herinnert zich dat hij 'eigen werkmaker' genoemd werd, wat waarschijnlijk een zekere mate van zelfstandigheid inhield. Hij hield erg van kinderen en werd niet gauw kwaad. Behalve die keer toen hij met zijn drie dochters naar de verjaardag van tante Bloeme Pais in de Hemonystraat ging. Bij binnenkomst van de kamer zat het daar zo vol mensen dat de alle drie meisjes begonnen te huilen. Ze vluchtten de kamer weer uit en één ging van de zenuwen ook nog op de doos met koosjere taartjes van Snatager zitten. Pa was woedend, die vond het maar niks dat ze zo verlegen waren.  

Maar meer tekenend voor zijn karakter was dat hij, als iemand zei 'ik zal m’n best doen' aanvulde met 'en meer dan z’n best kan men niet doen'. Hoewel zelf niet zo’n muziekliefhebber vergezelde hij zijn vrouw trouw naar het Concertgebouw. Paul herinnert zich nog hoe zijn grootvader hem de Jaarboeken van de Diamantbewerkersbond liet zien en er vol trots bij vertelde dat de hele Nederlandse vakbeweging uit deze bond voortkwam. Als de Internationale gezongen werd zei hij na de laatste zin ('en de Internationale zal morgen heersen op aard') steevast 'het zal wel overmorgen worden'.

'Ik heb een mooi leven gehad,' zei Abraham.

Het gezin was niet orthodox. Naar sjoel gingen ze niet meer, maar de kinderen kregen wel joodse les. Debora wist zich daar vooral van te herinneren dat ze het Sjehechianoegebed altijd eindigden met 'lazer de man in zee, amen' (wehigianoe lazman haze, amen). Iedereen hield thuis van lezen waardoor Abraham meer dan eens om zich heen keek en opmerkte: 'Het lijkt hier wel het Leesmuseum.' Debora declameerde eens plechtig, staande op bed met een deken omgeslagen, na het lezen van Vondels Jozef in Dothan: 'Ik ben Jozef, leeft mijn váááder nog?' waarna ze door het bed zakte, dit tot groot plezier van haar zussen.

Na de crisis van 1929 ging het minder in het diamantvak en toen de kinderen het huis uit waren verhuisden Sophia en Abraham naar Den Haag (1932). Daar woonden ze in bij de oudste zus van Sophia, Judith Snuijf, eerst in de Malakkastraat en later in de Tomatenstraat. Ook werden ze opa en oma en vooral Abraham had veel geduld met z’n kleinkinderen. Er zijn nog foto’s van vlak voor de oorlog gemaakt in Lochem en Scheveningen waarop ze samen met hun kleinkinderen staan afgebeeld.

In de oorlog werd een onderduikadres voor ze gevonden maar hiervan weigerden ze gebruik  te maken omdat ze de kinderen van het gezin niet in gevaar wilden brengen. 'Ik heb een mooi leven gehad,' zei Abraham.

Op een kwade dag kwam Eva naar de Joodse school waar Debora les gaf. Ze waarschuwde haar dat hun ouders werden opgehaald en naar de Hollandse Schouwburg in Amsterdam werden gebracht. Daar hadden ze nog afscheid van hun kunnen nemen, maar ze zagen daarvan af uit vrees om ook, met de ster op hun jas, aangehouden te worden. Van de Hollandsche Schouwburg zijn Sophia en Abraham naar Westerbork gebracht. De vijf gulden die Abraham bij aankomst op zak had, werd direct door de ambtenaren van de Lirobank in beslag genomen. Op 26 oktober 1942 zijn Sophia en Abraham op transport gesteld naar Auschwitz waar ze op 29 oktober zijn vermoord.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.