Klaas Bouma

Op 15 september 1944 werden er bij het crematorium van kamp Westerbork 12 verzetsstrijders gefusilleerd. Hun namen en de namen van enkele andere tientallen mensen die daar werden vermoord en/of gecremeerd zijn sinds 2018 te lezen op de bij deze executieplaats geplaatste gedenkzuilen. De naam van Klaas Bouma staat tussen de namen van de op 25 september 1944 vermoorde mannen. Ad van der Logt schreef over hem een uitgebreid verzetsportret.

Klaas Bouma

Voornaam
Klaas
Achternaam
Bouma
Geboortedatum
02 april 1914
Geboorteplaats
Lippenhuizen
Sterfdatum
25 september 1944
Sterfplaats
kamp Westerbork

Genealogische gegevens over Klaas Bouma zijn schaars. Zijn vader, Pier Bouma (Minnertsga (gemeente Barradeel), 1 januari 1881 – Groningen, 28 november 1955), was afkomstig uit Het Bildt en kleermakersknecht. Hij trouwde op 10 mei 1901 in Opsterland met Jitske Klazema (Beesterzwaag, 3 april 1880 – Groningen, 2 juni 1965), dienstbode van beroep. Het pasgetrouwde stel vertrok weer naar het noordwesten van Friesland waar hun dochter Janke op 25 maart 1902 geboren werd. Klaas zag het levenslicht op 2 april 1914 in Lippenhuizen (gem. Opsterland, Friesland). Zijn vader blijkt nu agent bij een wasserij, een beroep dat hij tot in de jaren 40 uitoefende. Over Klaas’ lagere schoolcarrière weten we alleen dat hij vanaf 1 januari 1921 ingeschreven stond op het adres Rabenhauptstraat 39 in de gemeente Groningen en daar in de buurt schoolging .

               


Opleiding en werk
Op 1 juli 1932 lezen we in het Nieuwsblad van het Noorden dat Klaas Bouma een van de zes kandidaten is, die de examens aan de Rijkskweekschool met succes heeft afgerond. Deze school was na de verhuizing van de Rijks H.B.S. vanaf 1869 gehuisvest in de Pelsterstraat.

            
                De voormalige Rijkskweekschool in de Pelsterstraat.

Op 4 augustus 1932 is hij volgens een bericht in de Haagsche Courant een van de vele geslaagden voor de L.O. akte handtekenen. Een maand later sluit hij als vrijwilliger van de Kaderlandstorm een deel van de opleiding voor dienstplichtig sergeant af met het behalen van het bewijs voorgeoefendheid. Zo’n bewijs gaf later bij de werkelijke dienstplicht een verkorting van de diensttijd met een bepaalde termijn. Zijn benoeming tot dienstplichtig sergeant volgt op 1 januari 1934, drie maanden later wordt hij bevorderd tot sergeant-titulair, wat wil zeggen dat hij de functie mag voeren zonder die te bekleden. Een half jaar daarvoor in juli 1933 behaalde Bouma het einddiploma tekenen en kunstnijverheid aan de MTS in Groningen, waarna hij eind augustus 1934 het examen tekenen MO met succes aflegt. Begin september 1936 slaagt Klaas in Den Haag voor de akte M.B. tekenen, waardoor hij les kan geven in het middelbaar onderwijs. Een jaar later behaalt hij in Groningen de akte handenarbeid. Zijn opleiding in de Hofstad sluit hij drie jaar later af met de akte N. IIb (lijntekenen, handtekenen en decoratief tekenen), die hem in staat stelt in het nijverheidsonderwijs werkzaam te zijn.


Tekening maker onbekend, foto Groninger Archieven

Volgens een bericht in de Leeuwarder Courant wordt Klaas Bouma eind september 1938 benoemd voor het vak handtekenen aan de avondschool in Kollum. Nauwelijks twee maanden later (begin december 1938) solliciteert hij naar de functie tekenleraar op de ambachtsschool in Zuidhorn en behoort hij tot de drie genomineerden, waarna een paar dagen later zijn aanstelling volgt.

Direct na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 wordt Bouma gemobiliseerd. Zijn baan in Zuidhorn als docent rechtlijnig en decoratief tekenen wordt daarom tijdelijk door een ander waargenomen. Dat hij zich verder wil ontwikkelen blijkt uit een bericht in De Nederlandsche Staatscourant van 30 maart 1942 waarin hij benoemd wordt tot plaatsvervangend lid bij de examencommissie handtekenen. Hij is dan leraar bij het nijverheidsonderwijs en tekenen in Groningen. Deze benoeming wordt ruim een jaar later in juni 1943 verlengd.

Klaas Bouma wordt kunstschilder, maar om in zijn onderhoud te voorzien wordt hij tevens tekenleraar aan de middelbare technische school (MTS) die in 1922-1923 in opdracht van de gemeente Groningen naar ontwerp van architect L.C. van der Vlugt en constructeur J.G. Wiebenga gebouwd was in de stijl van het Nieuwe Bouwen of Nieuwe Zakelijkheid. De school stond vroeger aan de rand van de stad, maar vormt thans een zijvleugel van het Wiebengacomplex tussen de Petrus Driessenstraat en de C.H. Petersstraat. De meeste Groningers, inclusief de gemeenteraad, vonden dit ultramoderne gebouw maar niets en haalden wellicht opgelucht adem toen op het naastgelegen Bernoulliplein al snel huizenblokken werden gebouwd volgens de traditionele Amsterdamse School om het veel te moderne gebouw aan het zicht te onttrekken. Je mag verwachten dat Bouma een andere mening was toegedaan, hij werkte in dit heldere en transparante gebouw met als basis een skeletsysteem van gewapend beton tot aan zijn dood in 1944.

            
                Het Wiebengacomplex van architect Jan Gerko Wiebenga.

Adressen
Op 15 oktober 1942 trouwde Klaas Bouma in Groningen met Siemtje – roepnaam Sien – Wubbena (Groningen, 10 augustus 1917 – Winsum, 27 februari 1999).

                     

Waar hij en zijn vrouw in de oorlogsjaren hebben gewoond is een grote puzzel. Op zijn verzetskaart in het Oorlog- en Verzetscentrum Groningen (OVCG) staat Waldeck Pyrmontplein 12 in de wijk Helpman als huisadres genoteerd. Deze informatie wordt ondersteund door een mededeling van oud-huisarts Eltjo Wubbena, een neef van Klaas Bouma, in een mailtje aan de auteur. Brinks, Kooistra en Piersma houden het in Represailles in Groningen, 1940-1945 op de daar vlakbij gelegen Waldeck Pyrmontstraat 12. Ze baseren zich op Wubbena’s verzetskaart in het OVCG. Op dit adres woonde volgens hen Eltje Wubbena (1885-1944), Siemtjes vader. Dit betekent dat Klaas bij zijn schoonvader ondergedoken zat, wat historisch gezien juist is. Maar Wubbena woonde volgens diens kleinzoon Eltjo Wubbena op de Hereweg 65, waar hij ook zijn werkplaats had. Zijn mededeling wordt ondersteund door weer andere bronnen als Wubbena’s persoonskaart in het CBG Centrum voor familiegeschiedenis in Den Haag en het Nieuwsblad van het Noorden van 2 juni 1947.

Er is echter nog een ander adres van Bouma bekend, schrijft socioloog en jurist prof. Kees Schuyt, in Het spoor terug, J.B. Charles – W.H. Nagel. Bouma blijkt in dezelfde straat gewoond te hebben als de rechtsgeleerde en criminoloog Willem Hendrik Nagel (1910-1983), slechts een paar deuren verderop: Verlengde J.A. Feithstraat 26 in de Herewegbuurt, terwijl Nagel op nummer 20a woonde. In zijn kleine steendrukkerij in de kelder onder zijn huis maakte hij lithografieën. Daar begon hij ook met het namaken van distributiebonnen. Doordat ze vlak bij elkaar woonden was er een vertrouwd contact tussen beiden ontstaan, wat uitmondde in verzetswerk voor de Landelijke Hulporganisatie voor Onderduikers (LO). Deze organisatie was een initiatief van de Winterswijkse mevr. Helena Kuipers-Rietberg, verzetsnaam Tante Riek (1893-1944), die dominee Frits Slomp, verzetsnaam Frits de Zwerver (1898-1978), uit Heemse vroeg een landelijke organisatie op te richten om onderduikadressen te zoeken voor Joden en jonge mannen.

                
                      J.B. Charles (Prof. dr. Willem Hendrik Nagel)

Het verschil tussen Waldeck Pyrmontstraat en -plein ligt waarschijnlijk in een overschrijffout. Het is ook mogelijk dat Klaas Bouma voortdurend op zijn hoede was voor de bezetter en dat hij er naast zijn werkelijke woonadres nog een ander schuiladres als de Verlengde J.A. Feithstraat 26 op na hield.

Verzet
Midden jaren 70 vertelde Nagel, zo schreef Schuyt in Nagels biografie, in een interview met scholieren hoe een en ander in zijn werk was gegaan:

De eerste in Nederland nagemaakte boterbon, een bon waar je boter op kon krijgen, heb ik ingewisseld, mag ik wel zeggen. Een man die ik kende in Groningen, hij heette Klaas Bouma, hij is dood, doodgeschoten door de Duitsers, dat was een goede tekenaar, een man die tekende op steen een boterbon in grote coupure. Je had voor de groothandel grote coupures en voor de gewone mensen, die onsjes boter konden betrekken, kleine coupures, dat is duidelijk. Ik zei tegen hem: ‘Je moet maar meteen een grote coupure maken, ik wissel hem wel ergens in.’Hij maakte er een en die was absoluut goed. Dus ik ging er mee naar Den Haag. Ik bestelde in een restaurant, waar veel zwarthandelaren kwamen, eten en ik moest bonnen inleveren. Ik zeg: ‘Ik heb alleen maar die grote coupure, kunt u die even wisselen.’ Toen kreeg ik een hele envelop terug met kleine coupures. Dus dat lukt dan; als het niet lukt, dan ga je wel voor de bijl.

In zijn eigen boek Volg het spoor terug (1953, pg. 174) had Nagel deze eerste samenwerking met Bouma ook aangestipt. Naast de correctie dat de wisseling van de coupure plaatsvond niet plaatsvond in een restaurant, maar in een café op de Kneuterdijk noemde hij het toen ‘een rijk ogenblik’. Dat Bouma’s vervalsingen werkelijk erg goed waren, vinden we ook terug op zijn verzetskaart in de Groninger archieven; daar wordt hij getypeerd als een ‘kunstenaar in falsificaties van persoonsbewijzen en stempels’. Met Willem Nagel zorgde hij namens de LO ook voor de verspreiding van voedselbonnen voor Joden en onderduikers. Bouma’s schuilnaam in het verzet was (gekke) Gerrit.

Doordat hij voor en tijdens de oorlog de nodige militaire ervaring had opgedaan is het verklaarbaar dat Bouma ook voor de OD actief was. Deze organisatie ontstond vrij snel na de capitulatie op initiatief van officier Johan Hendrik Westerveld (1880-1942) en had als doel bij de bevrijding van Nederland de orde en rust te handhaven omdat binnen de kringen van de OD de opvatting heerste dat er dan een gezagsvacuüm zou ontstaan. Eind 1940 werd in de stad Groningen door een aantal reserveofficieren een groep gevormd met bovengenoemde bedoeling. Tegen leden van de landelijke OD werden verschillende processen gevoerd waarbij 113 OD’ers in mei 1942 en april 1943 geëxecuteerd werden.

Bouma’s contacten in het verzet waren drie leden van de Ordedienst (OD): militair Jo Boltjes (1917-1948), Willem Vasbinder (1900-1974), werkzaam bij de provinciale Groningse waterleidingmaatschappij, en Hoofdpost bij de Luchtbescherming op het Martinikerkhof Jan Rengenier Dijksterhuis (1898-1944). Daarnaast werkte Bouma samen met architect en kunstschilder Ir. Pieter van Loo (1905-1991) die actief was in de illegale pers en Trouw.

De MTS waar Bouma werkte was een broedplaats van verzet. Bij Ir. Pieter Hermanus Everhardus van Dooren (1899-1944), de directeur van zijn school, hield de knokploeg Groningen regelmatig vergaderingen bij hem thuis in de Oosterhaven. Voorts was hij betrokken bij de verspreiding van illegaal drukwerk en werden onderduikers bij hem verborgen. Van Dooren werd in de oudjaarsnacht 1943/44 slachtoffer van een Silbertannemoord.

                       
                                Pieter van Dooren

Na de liquidatie door het verzet van de felle NSB’ er en antisemiet Anne Jannes Elsinga (1908-1943), Oberleutnant en hoofd van de Bijzondere Recherche in Groningen, werden drie commando’s samengesteld. Ze kregen de opdracht tien mannen te vermoorden. Leider van een van die commando’s was Nederlandse SS-Unterscharfhürer Stienus van Wijnen (1906-1979), marechaussee en plaatsvervangend commissaris van de politie. Hij schoot Van Dooren dood in de deuropening van zijn woning of op de hoek van het Damsterdiep en de Petrus Campersingel. Van Doorens verzetskaart geeft daarover geen expliciet uitsluitsel.

Ook Van Doorens onderdirecteur architect Egbert Johannes Kuipers (1893-1942) speelde een grote rol in het verzet. In de kelders van de school beluisterde men de uitzendingen van Radio Oranje en probeerde men berichten op te vangen. Er werden illegale pamfletten gedrukt en Van Dooren en Kuipers schreven jonge mensen in als leerling van de school om zo de oproepen voor de Arbeitseinsatz te saboteren. Kuipers werd op 23 juli 1942 gearresteerd en gevangen gezet in kamp Amersfoort, waarna hij op 28 juli werd getransporteerd naar concentratiekamp Sachsenhausen (stad Oranienburg bij Berlijn). Op 49-jarige leeftijd overleed hij daar op 1 oktober 1942. Het is niet bekend of Bouma bij de verzetsactiviteiten op zijn school een rol heeft gespeeld. In totaal werden zes mensen slachtoffer van deze wraakactie.

Verraad en arrestatie      
Bouma werkte vanaf juli 1941 samen met Wilem Nagel en diens vriend Pim Hohmann, dermatoloog in opleiding aan het Academisch Ziekenhuis in Groningen, aan het namaken van valse persoonsbewijzen. Hanns Albin Rauter, hoofd van de SS in Nederland, had op 3 juli het bevel uitgevaardigd dat de persoonsbewijzen van Joodse inwoners en hun persoonskaarten in de bevolkingsregisters van de letter J moesten worden voorzien. Door zijn werk in het ziekenhuis kon Hohmann de in de colbertzakken achtergelaten persoonsbewijzen – de artsen droegen nu eenmaal witte jassen – ontvreemden en die door Bouma te laten bewerken, waarna ze aan een nieuwe drager werden gegeven. In LO-verband werkte W.H. Nagel met Bouma af en toe samen aan de verspreiding van voedselbonnen voor Joodse Groningers en onderduikers. Toen in het benedenhuis Verlengde J.A. Feithstraat 20 een jong NSB-echtpaar kwam wonen moesten Nagel, Hohmann en Bouma voorzichtiger te werk gaan.
Op Bouma’s verzetskaart vinden we verdere informatie over zijn verzetswerk, gebaseerd op het onderzoek van de Groningse genealoog Henk Werk. Bouma bezocht vaak de slagerij van Pieter Wichers (1903-1947) op de Verlengde Hereweg. Hij had Bouma beloofd op gekraakte bonnen vlees te zullen leveren ten behoeve van onderduikers. Wichers deed zich in zijn omgeving voor als fel anti-Duits, maar in werkelijkheid was hij een V-Mann (Vertrouwensman). De verkregen informatie gaf hij door aan de SD, in het geval van Klaas Bouma aan Unterscharführer Joseph Kindel (1912-1948). In de eerste twee weken van september 1944 kreeg Wichers van Bouma een coupure van 50 rantsoenen. Wichers vertelde de SD’er van wie hij die bonnen gekregen had. De volgende dag waarschuwde hij Bouma: ‘Maak dat je wegkomt, want de SD heeft je in de gaten.’

Op 15 september vertrok Jantje Woldendorp, koerierster voor de OD in Oost-Groningen en werkend onder de schuilnaam ‘Lange Jantje’, vanuit Sappemeer met verschillende papieren naar Klaas Bouma, vertelt Monique Brinks in deel 1 van Het Scholtenhuis, 1940-1945. Volgens Gert Zuidema, de auteur van Noar wèl is joen stroade nuimd, Veenkoloniaal Biografisch straatnaamboek zou Jantje haar opdracht hebben gekregen van de Veendamse verzetsman Pieter Sneeuw (1895-1944), lid van de Ordedienst (OD) en commandant van de grensbewaking. Bouma moest een blanco brief van Jacob Bruggema (1909-1944), de commandant van District VII van de Ordedienst (OD), voorzien van stempels. Het gevaar bij deze opdracht was voor Woldendorp dus niet zo groot. Zij had echter wel andere brieven op haar lichaam, waarvan ze de inhoud niet kende. Omdat ze bij aankomst in het Scholtenhuis niet gefouilleerd was, zag ze kans om dit belastend materiaal onder het vloerzeil op de zolder te verstoppen. Bouma zat ondergedoken bij zijn schoonvader Eltje Wubbena.

                            
                                  Eltje Wubbena, schoonvader van Klaas Bouma

Toen hij en later Woldendorp bij diens woning aankwamen, werden zij in hechtenis genomen door Robert Lehnoff (1906-1950) en Evert Drost (1906-1949) en naar het Scholtenhuis gebracht. Naast deze twee maakten Kindel of Ernst Knorr (1899-1945) en de Nederlandse collaborateur Pieter Johan Faber (1920-1948) deel uit van het arrestatieteam. De vier waren het huis van de Groningse schoenmaker binnengedrongen en namen Wubbena in hechtenis. Faber en Kindel waren ter bewaking achtergebleven. In Volg het spoor terug, pg. 8 schrijft J.B. Charles over laatstgenoemde, hij noemt hem Joseph K.:

Hij was bij de arrestatie van mijn vriend Klaas B, en bij het doodschieten, in zijn werkplaats, van diens gebrekkige schoonvader*, bij wie Klaas in huis was, een man die van niets wist.  Hij placht met zijn nationaal-socialistische kameraden de gevangen Nederlanders, deze besten onder de goeden, aan de gloeiende radiator vast te binden gedurende 2 of 3 maal 24 uur, hun de nieren kapot te slaan en hen te behandelen met de kuur in het koude bad, de zogenaamde ‘brobbelkuur’, welk woord een mooi voorbeeld van een ‘onomatopeion’ is. Ik zal u niets besparen.
(* Charles’ weergave wat betreft de schoonvader is niet helemaal correct, Wubbena was niet gebrekkig, hij was alleen niet op de hoogte van het verzetswerk van zijn schoonzoon.)

Faber vroeg Wubbena waar Bouma was en hem voor te gaan naar zijn schoenmakerij. Toen deze niet gelijk passende antwoorden gaf, schoot Faber Wubbena op weg daarnaartoe op last van Hitlers Niedermachungsbefehl van 31 juli 1944 in zijn rug. De Führer had daarin verordonneerd dat ‘terroristen’ en hun helpers zonder enige vorm van proces doodgeschoten mochten worden. Vier dagen later gaf leedaanzegger Geert Lukas Smidt aan de gemeente door dat Wubbena die avond om 20.25 uur was overleden. Bruggema dook onder in Blokhut K 18 in het bos bij Anloo, werd op 29 september 1944 gearresteerd en naar Groningen gebracht. Op 5 oktober 1944 werd Pieter Sneeuw met twee andere verzetslieden in Veendam door Kindel en Drost van de SD-afdeling IVb aangehouden en door SD-chauffeur Haijo van der Schoor eveneens voor ondervraging naar Groningen gebracht. Beiden werden op 12 oktober 1944 in kamp Westerbork gefusilleerd. Woldendorp werd naar het strafkamp Farmsum bij Delfzijl gestuurd, waaruit zij enkele weken later kon ontsnappen.

Dat Bouma’s vervalsingen werkelijk erg goed waren, vinden we ook terug op zijn verzets-kaart in de Groninger archieven; daar wordt hij getypeerd als een ‘kunstenaar in falsificaties van persoonsbewijzen en stempels’.

De executie
Op 25 september 1944 schreef Hans Bial (1911-1954), gevangene in kamp Westerbork, in zijn dagboek:

‘Op de appelplaats heerste grote onrust, omdat de buitendienst zelfs om 7 uur 's ochtends niet mocht vertrekken. Ze moet zich om 8 uur opnieuw verzamelen. Om 7:15 uur werden er schoten gehoord. Onmiddellijk daarna werd bekend dat 7 of 10 of 12 mensen die met de auto waren meegenomen, bij het crematorium neergeschoten en onmiddellijk verbrand werden. Vreselijk - 600 mensen zitten op 100 m afstand, ze weten niets en kunnen niets doen.’

De fusillade van twaalf verzetsmensen, allen werkzaam voor de OD, vond dus op gehoorafstand bij het kamp plaats. ‘Bij deze groep bevonden zich twee arrestanten die in het geheel niet gehoord waren, en een Joodse onderduiker’ (Julius Cohen), schreef dr. L. de Jong in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog, en tussen haakjes voegde hij eraan toe: ‘èn een illegale werker, die zo was mishandeld dat hij bijna geen tekenen van leven meer vertoonde’. Hun namen staan op de lijst, die na de oorlog door het Herinneringscentrum Kamp Westerbork opgesteld werd, tussen alle gefusilleerden van de zeven executies die vlakbij het crematorium zijn voltrokken.

Het afgebroken crematorium van voormalig kamp Westerbork.

In de naoorlogse overlijdensakte staat vermeld dat Derk Jan Stoel, opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee, op 17 december 1945 aangifte deed van het overlijden van Klaas Bouma. Als tijdstip van overlijden werd ‘ ongeveer zeven uur dertig minuten’ genoteerd.


Gedenkzuil met namen van 25 september op de executieplaats. 


De namen van de op 25-09-1944 bij kamp Westerbork vermoorde verzetsstrijders.

Zugwachtmeister der Ordnungspolizei Joseph Adam (1898-?), afkomstig uit Kenzingen in Baden-Württemberg, is een andere ooggetuige, die na de oorlog tijdens zijn detentie in de Groningse strafgevangenis een verklaring afgelegd heeft. Sinds 20 september 1943 was hij in Groningen actief en volgens zijn zeggen heeft hij twee keer deel uitgemaakt van een executiepeloton. Over de executie op 25 september 1944 verklaarde hij:
Ik werd des morgens omstreeks vier uur met nog verschillende collega’s gewekt en wij moesten onmiddellijk ter assistentie van den Sicherheitsdienst te Groningen mede naar Westerbork. Het geheel stond onder leiding van Oberleutnant Schmid (1903-?). Ik kan me niet herinneren of er een officier van de Sicherheitsdienst bij aanwezig is geweest. Bij de ingang van het Lager werd een gedeelte van de gevangenen achter gelaten. Wij gingen met de rest van de gevangenen (zes stuks) achter het crematorium. Hier werden de gevangenen door Oberleutnant Schmid op één gelid opgesteld. Ons werd gezegd dat deze gevangenen door het SS-Gericht ter dood waren veroordeeld. Tegenover deze gevangenen werd op een afstand van acht à tien meter een gelid van twaalf personen, bestaande uit Sicherheitspolizei en Ordnungspolizei waaronder ook ik, opgesteld met geladen karabijn. Wij hebben op het vuurbevel van Oberleutnant Schmid met een schot uit onze karabijnen deze gevangenen dood geschoten. Ook ik zal dus ook zeer waarschijnlijk een van deze gevangenen hebben dood geschoten. Na dit vonnis kregen de slachtoffers door een van de Sicherheitsdienstleden met een pistool nog een genadeschot door het hoofd. De gefusilleerden werden na 4 à 5 minuten en nadat de dood was vastgesteld, naar het crematorium gebracht. Hier werden ze door de Sicherheitsdienst van verschillende voorwerpen zooals ringen, papieren en dergelijke ontdaan. De zes andere personen werden hierna door hetzelfde executie-peloton gefusilleerd, zoodat ik zeker weet dat er dien dag twaalf personen geëxecuteerd zijn.’

Bij andere executies werd dezelfde procedure gebruikt en dat maakt dit ooggetuigenverslag betrouwbaar.
Na de executie moesten Selfried Fuchs (1913-?), tuinman in het kamp en Isidor Fontijn (1900-1972), voormalig elektrotechnisch ingenieur, de lichamen naar het crematorium brengen en verbranden. De Joodse gevangenen die in het kamp deze taak hadden, hebben volgens hun getuigenissen na de oorlog op de achterkant van de deurpost van het crematorium, een plek waar het niemand opviel, elke keer het aantal mensen dat ze moesten verbranden ingekrast. Doordat ze ook de as van de gevallenen steeds op een andere plek begroeven, wist men later ook waar welke groep lag. De asresten van de twaalf van 25 september liggen begraven bij het omcirkelde nummer 12 op bijgevoegde afbeelding. (De hier genoemde datum is onjuist. Direct na de oorlog was er enige onduidelijkheid over de verschillende executiedata.)

In een documentaire van het Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen spreken nabestaanden hierover.

Naoorlogs eerbetoon
Hoewel het overlijden van Klaas Bouma pas in december 1945 officieel genoteerd werd, bleken zijn familie en vrienden in het verzet al in augustus 1945 geïnformeerd over zijn lot. W.H. Nagel ontving de rouwaankondiging op 27 augustus. Op vrijdag 26 oktober 1945 stond in de Provinciale Drentsche en Asser courant het bericht dat Groningen een week later zijn verzetsmannen wilde herdenken. Voor het eerst konden de lezers de namen van alle 36 toen bekende gefusilleerden van september en oktober 1944 lezen. Het voormalige illegale dagblad Trouw bracht op Allerzielen een speciaal rouwnummer uit, waarin de foto’s van de gefusilleerden stonden afgedrukt. De opbrengst kwam ten goede aan de bekostiging van dat gedenkteken en abonnees werden opgeroepen daarvoor geld te schenken.

                   


In de ochtend van 2 november 1945 begaf een grote zwijgende menigte zich naar het Provinciehuis in Groningen. In de hal stond een zwarte urn, symbool voor de stoffelijke resten van de 45 slachtoffers van het nazigeweld, opgesteld te midden van een zee van bloemen. Om twaalf uur begon de rouwdienst in de Martinikerk op de Grote Markt. Na Ases Tod van de Noorse componist Edvard Grieg volgden toespraken van mr. E.H. Ebels (1889-1970), de Commissaris der Koningin en een medeverzetsstrijder, waarna de dienst met de treurmars uit de derde symfonie van Ludwig von Beethoven besloten werd.

Vier wagens met bloemen escorteerden de lijkwagen, die vervolgens koers zette naar de begraafplaats Esserveld, waar de urn ten grave gedragen werd. Op 4 mei 1948 werd het oorlogsmonument van de Groningse beeldhouwer Willem Valk (1898-1977) onthuld. Het monument is een in witte natuursteen uitgevoerd beeld van een uit een urn verrijzende vrouwenfiguur, die het uit de dood oprijzende leven symboliseert. Het beeld staat op een zandstenen sokkel, waarop in 2013 een ingelijst gedicht van Petra Schuttinga-van der Togt is geplaatst.

     


1940 verzet 1945
Stil verdriet
73 Jaren geleden dat vreemde soldaten
Ons land binnen reden
Hun eigen vlag hadden ze mee genomen
Die werd geplaatst op de Martinitoren
Heel Nederland was in rep en roer
Het Scholtenshuis werd ingenomen
De plek waar de heren gingen wonen
Zingend en marcherend door de straten
's Nachts hoorde je de stampende laarzen
Mensen uit het verzet werden opgepakt
Die hier op deze plaats al vele jaren dromen
Voor joden was op eens alles verboden
Vaak worden moeilijke jaren vergeten
Stil verdriet
Vergeet je niet.

Op muur in vak S staan de namen van 43 verzetsstrijders onder wie Klaas Bouma (op twee stenen staat geen naam) gebeiteld.

Op 28 december 1945 werd voor het eerst weer een tentoonstelling gehouden in het gebouw van het Kunstlievend Genootschap Pictura. Er werd werk getoond van Karel Bouma, Alida van Houten (1868-1960), Klaas van Dijk (1913-1990) en Evert Musch (1918-2007). Speciale aandacht ruimde de voorzitter in voor Klaas Bouma, die hij in zijn openingsrede herdacht. Bouma's naam is ook te vinden op een gedenksteen in de Van Doornenveste, een onderdeel van de Hanzehogeschool Groningen. Elk jaar op 4 mei worden de directie, studenten en alumni van de MTS herdacht, die tijdens of net na de oorlog gefusilleerd of van uitputting bezweken zijn.                                              Gedenksteen Hanzehogeschool

Klaas Bouma werd bij koninklijk besluit no 104 op 29 december 1980 postuum het Verzetsherdenkingskruis toegekend.

Naoorlogse processen
Tijdens het naoorlogse proces tegen Wichers bleek dat deze zich herhaaldelijk van dezelfde tactiek bediende. Door zijn schijnbare felle anti-Duitse houding wist hij het vertrouwen van verschillende mensen te winnen. Als hij die dan bij de SD had aangebracht, waarschuwde hij hen voor komend gevaar. Deze werkwijze paste hij niet alleen toe in het geval van Bouma, maar ook bij de Groninger boekhandelaar Walter, waar hij twee keer het illegale Geuzenliedboek kocht en dit als bewijs bij de SD inleverde. Wichers’ werkster verklaarde in een getuigenverhoor dat zij en haar man haar werkgever meer dan hun beste vrienden vertrouwden en hem daarom de berichten van de BBC doorgaven.

Het is een lange lijst van infaam verraad, stelde de president van het gerechtshof jhr. mr. W. W. Feith. Tot zijn verweer voerde Wichers aan dat hij zich door Lehnhoff bedreigd voelde, wat door zijn advocaat mr. Bout werd bevestigd. Als deze Groningse slager niets deed, werd zijn zaak gesloten en kreeg hij van de Duitsers geen vleestoewijzing. Als die bedreiging zo zwaar ervaren werd, had Wichers ook kunnen verdwijnen, bracht de officier van justitie jhr. mr. Van der Wijck daar tegenin. Wichers werd tot de doodstraf veroordeeld die na het afwijzen van het hoger beroep en het gratieverzoek door koningin Wilhelmina op 2 juli 1947 werd voltrokken.

De voormalige opperwachtmeester der staatspolitie te Heemstede Pieter Johan Faber verhuisde begin 1944 na de liquidatie van zijn vader door de verzetsstrijders Hannie Schaft (1920-1945) en Jan Bovenkamp (1914-1944) samen met zijn broer Klaas Carel vanuit Haarlem naar Groningen waar hij bij de SD in het Scholtenhuis gestationeerd werd. In de tenlastelegging werd Faber beschuldigd van talloze Silbertannemoorden zoals die op Eltje Wubbena. Daarnaast maakte hij deel uit van het executiepeloton in Westerbork. En tenslotte hadden hij en zijn broer deelgenomen aan het doodschieten van talloze arrestanten in de bossen van Exloo, Westerbork en Norg. Pieter Faber werd door de rechtbank ter dood veroordeeld. Het vonnis werd op 10 juli 1948 in Groningen door een vuurpeloton voltrokken.

De tenlastelegging op 11 oktober 1948 tegen de tweeënveertigjarige Evert Drost, een voormalige onderluitenant van de politie omvatte tien punten waaronder mishandelingen van gearresteerde verzetsstrijders, arrestaties van Joodse en andere Nederlanders en een groot aantal moorden met voorbedachten rade. Deze beschuldigingen golden zowel zijn werk in Zeist als later in Groningen. Soms zoals bij de executie van een zestal Nederlanders op 7 april 1945 in Makkum maakte Drost deel uit van een executiepeloton. De advocaat-fiscaal Van der Wijck eiste de doodstraf, die veertien dagen later ook werd bekrachtigd. Op 28 juli 1949 werd hij terechtgesteld op het terrein van de voormalige kazerne aan de Hereweg in Groningen.

Robert Lehnhoff was Referatleiter van de afdeling rechts georiënteerd verzet, vandaar dat de OD zijn speciale belangstelling had. Daarnaast was hij betrokken bij een aantal Silbertannemoorden en gaf hij opdracht tot moordpartijen in Anloo en Bakkeveen op 8 resp. 10 april 1944. Aan het eind van de oorlog, op 15 april 45 vluchtte Lehnhoff met andere SD’ers uit het Scholtenhuis naar Schiermonnikoog, waar hij zich 31 mei 1945 door de Canadezen geïnterneerd werd. Op 11 juni werd hij via Zoutkamp naar Groningen gebracht.

Voor het proces tegen Lehnhoff had de rechtbank twee dagen, 16 en 17 mei 1949, uitgetrokken. Dat hij zo laat voor de rechter verscheen had te maken met zijn getuigenverklaringen tegen Duitse en Nederlandse oorlogsmisdadigers in andere processen. De tenlastelegging was een lange lijst met tientallen moorden, opdrachten tot executies en het toebrengen van zware, wrede mishandelingen. 75 Getuigen werden gehoord die het hof vertelden over de 28 verzetsmensen die Lehnhoff eigenhandig zou hebben vermoord of opdracht daartoe hebben gegeven. Tientallen verzetsstrijders werden op beestachtige wijze in het Scholtenhuis mishandeld. Tijdens zijn proces vertelde Lehnhoff dat hij nooit op eigen initiatief gehandeld had, maar altijd de bevelen van zijn chef Bernard Georg Haase (1910-1968), hoofd van de Aussendienststelle van de Sicherheitspolizei en de SD in Groningen, had uitgevoerd. Maar meerdere getuigen en ook SD’ers verklaarden echter dat Lehnhoff bewust zijn meerderen buiten acties gehouden had, zodat hij zelf op de achtergrond de touwtjes in handen kon houden. Advocaat-fiscaal Baron van Tuyll van Serooskerken betitelde Lehnhoff als de ‘personificatie van de Duitse terreur in het Noorden’. En hij vervolgde: ‘Wij kunnen in Lehnhoff niet een werktuig zien van een misdadig regiem. Integendeel, het regiem was mogelijk, omdat er Lehnhoffs waren die het steunden’. Het vonnis van het gerechtshof luidde: doodstraf. Lehnhoff ging tevergeefs tegen het vonnis in beroep. Op 25 juli 1950 wees koningin Juliana zijn gratieverzoek af en twee dagen later werd hij om kwart over vier in de ochtend gefusilleerd.

Joseph Kindel werd niet veroordeeld voor zijn misdaden, hij stierf op 5 augustus 1948 aan een hersenbloeding in de gevangenis in Almelo. Knorr vluchtte net als vele andere SD’ers in april 1945 naar Schiermonnikoog, waar hij eind mei werd gearresteerd en in de Groninger gevangenis werd opgesloten. Daarna werd hij door de Canadese Field Security overgebracht naar de King’s Prison in Scheveningen, waar hij op 7 juli levenloos met een stuk touw om zijn hals in zijn cel werd aangetroffen.

Van Wijnen, de moordenaar van Pieter van Dooren, nam aan het eind van de oorlog ook de benen, maar werd uiteindelijk toch gearresteerd. Volgens zijn dossier in het Nationaal Archief werd zijn optreden in de oudejaarsnacht van 1943 hem zwaar aangerekend. Tijdens de rechtszitting gaf hij geen enkele blijk van spijt en hij kreeg tenslotte levenslang. Na de oorlog heeft hij nog enkele jaren in een inrichting doorgebracht. Hij heeft nooit om clementie gevraagd. Wanneer en waarom hij in vrijheid is gesteld is niet bekend.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.