Jan Kooiker

Op de fusilladeplek achter het crematorium van kamp Westerbork werden op vrijdag 27 oktober 1944 negen mannen doodgeschoten. Zij waren kort daarvoor vanuit het Huis van Bewaring in Assen overgebracht naar deze plek. Onder hen een vader en een zoon: Jan en Roelof Kooiker uit Nijeveen. Selfried Fuchs en Isidor Fontijn, twee Joodse gevangenen van kamp Westerbork, moesten de lichamen na de executie naar het crematorium brengen en cremeren. In hun verklaring over het gebeurde na de oorlog ging het ook over Jan Kooiker: “Ik geloof dat er ook een boer bij was die een lange zwarte jas droeg met een zwarte zelfbinder voor en een zwarte pet op.”

Jan Kooiker

Voornaam
Jan
Achternaam
Kooiker
Geboortedatum
30 maart 1890
Geboorteplaats
Nijeveen
Sterfdatum
27 oktober 1944
Sterfplaats
kamp Westerbork

                                          

Jan Kooiker werd geboren in Nijeveen op 30 maart 1890. Op 2 november 1918 trouwde Jan, 28 jaar oud, in Nijeveen met Willempje Drost die toen 21 jaar was. In de jaren daarna werden vier kinderen geboren: Klaas, Roelof, Jan en Grietje. Toen in 1940 de oorlog begon rolden de gezinsleden langzaam het verzet in: de radio werd niet ingeleverd om af te kunnen blijven stemmen op Radio Oranje, mensen die even niet gezien mochten worden konden terecht op de boerderij aan de Dorpsstraat en in fietstassen met een dubbele bodem of verstopt onder de kleding werden in het geheim bonkaarten verspreid. Onder het hooivak van de boerderij kwam een schuilplaats voor onderduikers, Engelse piloten en verzetsstrijders en ook het bevolkingsregister van Wanneperveen was er tijdelijk verstopt. Het huis van de familie Kooiker werd contactadres voor het plaatselijk verzet. Dochter Griet vertelt over de verzetsactiviteiten van het gezin Kooiker en het uiteindelijke oppakken van haar vader en haar broer het volgende:

Hoe kwamen wij in het verzet terecht?
De eerste paar jaar van de oorlog lieten de mensen het denk ik over zich heen komen. De verwachting was dat het niet zo lang duren, maar de situatie werd steeds agressiever en daarom werden er koppen bij elkaar gestoken. Zo kwam er eerst in het dorp een verzetsgroep, meest jonge jongens, waaronder mijn broer Klaas, die nogal fanatiek was en werden er sabotageprikjes uitgedeeld. Er waren nog wat NSB’ers in het dorp die lid van de partij werden voordat de oorlog uitbrak en dachten dat ze het later voor het zeggen zouden krijgen. Helaas liep het anders. Ik denk dat ze wel eens de pin op de neus gezet is en dat ze zich maar wat koest moesten houden. Als je onderweg was leerde je gauw ogen van voren en achter te hebben. De situatie verergerde steeds meer. Mijn broer Klaas sloot zich aan bij ‘de Knokploeg Meppel’ en er kwamen van die groep ook bij ons thuis. En zo rolden we er allemaal in. Er werd een schuilplaats onder het hooivak gemaakt waar ze ’s nachts soms met 6 à 7 man sliepen. Overal kwamen deze jongens vandaan. Allemaal op de fiets. Vaak ’s morgensvroeg was alles alweer weg. ’s Avonds aan de keukentafel werd overlegd wat er weer moest gebeuren. Er waren toen ook wel ouderen bij betrokken, waaronder een oud-militair, en mensen die hun zaak in de steek hadden gelaten. Eerst meest uit het noorden, later overal vandaan. Radio Oranje was elke avond te beluisteren. Ik weet nog dat ze op hun buik voor de radio lagen te luisteren, want hij was verstopt in de greppel van een lege stal van de boerderij. Het was soms wachten op een code die iedere groep had. Zo kwam er 1 voor hen binnen. Er zouden wapens worden gedropt, de kaarten en plattegronden kwamen op tafel. En werd er gekeken waar het gebeuren moest. Er was een tijdstip doorgeseind en ze lagen met seinlichten op 4 hoeken van het land in de Roekebosch. Het vliegtuig kwam maar het goede contact was er niet. Dus is het weer teruggevlogen met het gevolg dat er geen munitie en wapens kwamen. Het werd 1943-1944. Het netwerk ging zo het hele land door en gingen we steeds verder van huis. Wat eerst op de fiets in de buurt ging, vervoer was er haast niet, gingen we, mijn broer Klaas en ik, met de trein naar het zuiden. We gingen ‘s morgensvroeg weg, want we hadden een halve dag nodig om in Den Bosch te komen. Onder mijn kleren zaten de bonkaarten, een andere keer wat anders zoals vervalste persoonsbewijzen. Sommige dagen konden we niet rechtstreeks terug, maar via Utrecht, Hilversum en de Grebbenberg naar huis, omdat de treinen niet verder gingen na 8 uur. Daardoor waren we soms een paar dagen onderweg. Min of meer reisden we apart, Klaas en ik zaten wel in dezelfde coupé, zodat we elkaar konden zien, maar niet bij elkaar. Hielden ze Klaas aan dan moest ik zien om alleen thuis te komen. Ik was nog geen 16 jaar oud en hoefde nog geen persoonsbewijs te hebben. Ik weet niet of ik bang was, ik deed het gewoon. Op de perrons wemelde het continue van de Duitsers, maar we hadden nog meer ontzag voor de NSB’ers in hun zwarte pakken met die onnozele petten en voor de SS. Het hele gezin deed mee. Nog vraag ik me wel eens af of mijn ouders het verantwoord vonden mij als 14-jarige het hele land door te laten gaan. Het zuiden was bevrijd en we dachten dat het gauw voorbij zou zijn. Helaas, het werd anders in de verzetsgroep. Het werd steeds feller. Distributiekantoren werden overvallen. Ze moesten bonkaarten hebben. Ze liepen allemaal met een revolver op zak. Onderweg hebben ze het wapen meer dan eens gebruikt. Het was meestal een 1 op 1 situatie; wie, hij of ik, ze hadden geen keus. Het waren meest NSB’ers waar ze voor stonden, want die zaten achter de jongens uit de verzetsgroep aan. NSB’ers waren de grootste vijanden voor hen. Soms kwamen de jongens laat bij ons binnenvallen. Meestal kwamen ze door het land achter de boerderij, omdat het vaak na 8 uur was. Onze boerderij stond niet afgelegen, maar midden in het dorp. We hadden gelukkig betrouwbare buren, mede vangwege het feit dat wij een auto uit het dorp hadden verstopt in een kuilbult in het land. Ze wisten wel dat er bij ons wat speelde. Bleven de onderduikers overdag ook bij ons, dan lieten ze zich niet zien. Dat risico was te groot, maar meestal waren ze alweer op pad.

Na niets gevonden te hebben, moesten mijn vader en mijn broer Roelof mee. Ze moesten zich aankleden en werden aan een lang touw vastgebonden en moesten op de fiets mee.

Oktober 1944
Het was zondagavond. Het huis werd met veel lawaai aan alle kanten omsingeld. Hoeveel het er waren weet ik niet, maar het was een heel peloton landwachters. Er waren wel een man of 6 in de schuilplaats, inclusief mijn broers Klaas en Jan. We lagen in bed, mijn vader deed de deur open, ze liepen zo door. Het hele huis was vol. Ze hebben alle kasten van boven tot onder overhoop gehaald, maar vonden niets. De verzetsmensen hadden alles meegenomen naar de schuilplaats. Alleen was er een stapel bonkaarten op tafel blijven liggen, wat anders nooit gebeurde. Mijn moeder legde ze voor het gemak in de kast, zodat ze de volgende morgen wel weer meegenomen zouden worden. Tijdens de inval, had ik ze ineens onder mijn pyjama zitten. Hoe mijn moeder dat het zo snel voor elkaar gekregen heeft, weet ik nog steeds niet. Ik lag nog in bed. Ik moest er ook uit, maar mijn moeder zei dat ik difterie had en mocht van de dokter niet mijn bed uit. Ze geloofden het. Ze waren bang voor besmettelijke ziektes. Na niets gevonden te hebben, moesten mijn vader en mijn broer Roelof mee. Ze moesten zich aankleden en werden aan een lang touw vastgebonden en moesten op de fiets mee. Zo konden ze niet ontsnappen. Gelukkig vonden ze de schuilplaats niet, want anders was er een gevecht ontstaan. Ze hadden zich niet zonder slag of stoot overgegeven. Toen alles weg was, heb ik snel de kleren aangetrokken en hebben mijn moeder en ik eerst een paar uur gewacht totdat het rustig was. Mijn moeder is later om het huis gelopen om te kijken of de kust weer veilig was en heeft daarna de jongens in de schuilplaats gewaarschuwd. De volgende ochtend zijn de jongens uit de schuilplaats vertrokken en hebben alles wat er was en wat ze nodig hadden meegenomen en zijn weggegaan. Er was wel weer een nieuw adres waar ze vanuit verder konden werken. Mijn broer Jan is wel gebleven, want er stond vee op stal dat verzorgd moest worden. Op dat moment stond alles op zijn kop, wat moet je, we waren bang dat ze terugkwamen. Diezelfde morgen ben ik direct vertrokken. Ik kon terecht bij hoofdmeester Kraan als er wat gebeurde. Van daaruit ben ik uit Nijeveen vertrokken en ben ik tijdens het restant van de oorlog niet meer terug geweest. Thuis is het vee verzorgd door mijn broer Jan en hij heeft daarna nog een week bij de buren gelogeerd, maar dat werd ook te gevaarlijk. Mijn moeder bleef alleen op de boerderij achter, immers je laat niet je huis achter. Een grote groep landwachters kwam overdag weer terug en hebben alles nog een keer doorzocht. Ze vroegen waar is dat meisje? Ze zei: Die is er niet, waar ze is, weet ik niet. Daar lieten ze het bij. Ze hebben alle etenswaren, inclusief het spek uit het rookhok, op de fiets meegenomen. We wisten niet hoe het met mijn vader en broer Roelof was en waar ze waren gebleven. Ze waren afgevoerd naar Diever en zijn daar op onmenselijke manier verhoord. Zouden ze wat loslaten? Niemand wist dat. Daarom is mijn moeder ook weggegaan. Er bleef een leeg huis met vee op stal achter. De buren hebben er in eerste instantie voor gezorgd. Toen is er een ander gezin uit het dorp gaan wonen en heeft het vee verzorgd, omdat zij die winter geen werk hadden. Maar dat was van korte duur. De NSB’ers die uit het zuiden gevlucht waren, hebben het huis gevorderd en zijn er toen ingetrokken. Zij hadden geen verstand van het boerenleven. De buurman hield de boel wat in de gaten en vertelde wat ze moesten doen om toch het vee en wat er meer was in leven te houden. Zo kwamen we aan het zwerven. Mijn moeder is bij familie in Nijeveen en Ruinerwold gebleven, maar wel van de een naar de ander. Mijn broer Jan is altijd in Nijeveen gebleven om zo een beetje controle in handen te houden door contact met de buurman te onderhouden. Mijn broer Klaas was overal, voornamelijk in Oldelamer, die zagen we niet te veel. Zelf ben ik van het ene adres naar het andere in de regio gegaan, zoals Meppel Ruinerwold en Steenwijk. Mijn broer Klaas kwam mij regelmatig opzoeken en moest ik weer als koerierster voedselbonnen en vervoersbewijzen ergens naartoe brengen. ’s Avonds na 8 uur was je alert, hoorde je iets, dan dook je de bosjes in. Gelukkig is het altijd goed gegaan. Dan was ik ergens een paar dagen, soms wat langer, maar hoeveel adressen ik heb gehad, ik weet het niet. In het dorp konden we ons zeker niet laten zien. Van mijn vader en mijn broer Roelof hoorden we niets. Alleen dat ze in de gevangenis in Assen zaten. De verzetsgroepen wilden ze bevrijden, maar daar was voorbereiding voor nodig. Helaas kwam het te laat. Ze waren weg en niemand wist waar ze naartoe waren gebracht. Achteraf hoorden we dat ze naar Westerbork gebracht waar ze binnen een week met nog meer verzetsstrijders werden gefusilleerd. Mijn moeder en mijn broer Klaas hebben het nooit geweten. Pas 50 jaar na de bevrijding hebben we gehoord dat zij zijn gefusilleerd in Westerbork. In het crematorium werkten mensen die het op de één of andere manier hadden genoteerd. Gelukkig overleefden deze mensen de oorlog.

De bevrijding
Vlak voor de bevrijding, toen het vliegveld in Havelte werd gebombardeerd, was ik weer in Nijeveen, want ik wilde de bevrijding in Nijeveen meemaken. De bevrijding was natuurlijk voor iedereen feest, maar voor ons niet. We waren blij dat we bevrijd waren, maar ons huis was helemaal leeg. Toen de NSB’ers naar het noorden waren gevlucht, zijn wij naar huis gegaan. Onbeschrijfelijk wat we daar tegenkwamen. Het hele huis was overhoopgehaald en veel spullen waren vernield. De bedden zaten onder de schurft en de laarzen van de NSB’ers lagen tussen de dekens. Direct na de bevrijding werd in Nijeveen de Binnenlandse Strijdkrachten, de BS, opgericht vanuit de verzetsploeg en knokploeg. Mijn broer Klaas en ik hebben daar ook nog aan meegewerkt. Deze BS’ers hebben alle NSB’ers en moffenmeiden uit het dorp opgepakt. Zij werden in de school verzameld en bewaakt door de BS. Dit bracht veel te weeg in het dorp. De mannen die vastzaten, hebben bij ons het achterhuis schoongemaakt en de meiden het voorhuis. Zo was ons huis weer schoon Het eten voor deze mannen en vrouwen werd door de caféhouder samen met de BS klaargemaakt in het café en door BS’ers naar de school gebracht. De NSB’ers zijn toen snel verder gebracht naar Havelte. Er waren er die snel weer thuis waren, maar er waren er ook die langer moesten zitten en verder zijn afgevoerd. Mijn moeder heeft van deze periode kort na de bevrijding niet veel meegekregen. Ze kwam ook naar huis, maar het was eerst ons huis niet meer. Zoveel mogelijk opgeknapt, maar veel spullen, zoals behang, waren er niet te koop. Er was niets meer, ook geen geld. Bij de melkfabriek hadden ze gelukkig het melkgeld achtergehouden. Dat waren nog onze inkomsten. De NSB’ers die in onze boerderij hadden gezeten hadden daar geen weet van gehad hoe het uitbetalen van het melkgeld ging. Dat hebben wij toen nog uitbetaald gekregen. We waren als gezin uit elkaar gerukt, maar deels weer bij elkaar. Allemaal met onze eigen ervaringen wat niet altijd goed was. Waar waren mijn vader en broer Roelof? Ik was nog jong en ging in Meppel naar school. Het laatste jaar van de oorlog kon dat niet meer, want de school was gevorderd door de Duitsers.

Na de oorlog
Na de oorlog heb ik mijn school wel kunnen afmaken, maar kon thuis moeilijk gemist worden. Van mijn vader en broer Roelof hebben we nooit meer wat gehoord. Er kwamen mensen met de wildste verhalen aan de deur. Ze meenden de mannen in Rusland te hebben gezien. Als we informatie wilden hebben, moesten we ze betalen. Wij zijn daar nooit op ingegaan. Mijn moeder was hartpatiënt, maar er waren geen medicijnen te krijgen. Daarom moest ze een paar dagen in bed blijven liggen om te rusten en aan te sterken. Voor haar was het gemis het ergste. Je man en je zoon weg. Waar ze waren gebleven bleef één groot vraagteken. Had ze geweten dat ze waren gefusilleerd in Westerbork, dan had ze meer rust gehad. Na de oorlog is mijn broer Jan met zijn schoonfamilie naar Canada gegaan en mijn broer Klaas bleef op de boerderij. Voor mijn gevoel, heeft hij aan de oorlog één groot trauma overgehouden. Als gezin konden we niet praten over de oorlog. Als het werd verzwegen, was de pijn er niet. Na heel veel jaren heb ik het eerste stuk voor de Historische Vereniging Nijeveen geschreven. Dit riep veel vragen op bij de kinderen en kleinkinderen en toen kon ik er beter over praten. Inmiddels is er ook een film/documentaire gemaakt. Nu dit verhaal. Het is genoeg geweest zo. Vergeten kun je het niet. Wanneer je ermee bezig bent, zie je alles weer voor je. Er zal veel meer gebeurd zijn, maar ik hoop dat dit een bijdrage levert aan het doorvertellen van de geschiedenis, want deze mag zeker niet vergeten worden.”

Wat er precies met haar vader en broer gebeurd was, werd voor Griet pas duidelijk in 1995 toen ze tijdens de herdenking van de 50e Bevrijdingsdag van kamp Westerbork sprak met een Joodse overlevende die in het crematorium van het kamp had gewerkt. Hij kon haar de fusilladeplek en de eerste begraafplaats aanwijzen. Jan Kooiker en zijn zoon Roelof waren in de nacht van zondag 22 op maandag 23 oktober 1944 opgepakt door leden van de bloedgroep Norg, een groep gewelddadige landwachters die op dat moment opereerde vanuit het Schultehuis in Diever. Ze waren eigenlijk op zoek naar Klaas, de oudste zoon. Een opgepakte onderduiker had bij ondervragingen zijn naam genoemd en verteld dat hij bij het gezin Kooiker ondergedoken had gezeten. Nadat Roelof en zijn vader zich hadden aangekleed vroeg vader nog toestemming om met zijn gezin te bidden. Dit werd toegestaan en vervolgens werden Roelof en Jan naar het Schultehuis in Diever gebracht. Daar zijn ze ondervraagd, maar zelfs onder bedreiging van een pistool hield Roelof zijn lippen stijf op elkaar. Toen zijn ondervragers dreigden met doodschieten, zei hij hen laconiek: “Je doet maar wat je niet laten kan.” De dag erop werden vader en zoon Kooiker overgebracht naar het Huis van Bewaring in Assen.

Op vrijdag 27 oktober 1944 werd Roelof met zijn vader en nog zeven andere opgepakte verzetsstrijders overgebracht naar kamp Westerbork. Op de executieplaats achter het crematorium iets ten zuiden van het kamp Westerbork werden de mannen geëxecuteerd. Na de crematie zijn de resten eerst achter het crematorium begraven en na de bevrijding, in 1947, herbegraven op de begraafplaats Esserveld in Groningen. Sinds oktober 2018 is er op de executieplaats een monument waarop de namen van de slachtoffers te lezen zijn.

Sinds oktober 2018 is er op de executieplaats een monument waarop de namen van de slachtoffers te lezen zijn.

Het interview met Griet van Dijk-Kooiker door de Historische Vereniging Nijeveen is te zien op de website Beeldbank Nijeveen: http://www.beeldbanknijeveen.nl/cgi-bin/beeldbank.pl?ident=8104&search=VELD%20extra%20Videofilm&inword=2&display=gallery&istart=91

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.