Het Verzetsmonument

Voor de slagboom die de ingang van het kampterrein markeert, staat een richtingaanwijzer met de tekst: Verzetsgraf 400 meter. Hij wijst naar rechts. Maar de ogen van de meeste bezoekers worden getrokken door de wagon en de barak op het kampterrein zelf, waardoor ze rechtdoor lopen. Daardoor wordt het Verzetsmonument weinig bezocht. Toch is deze plek de moeite van een bezoek waard, het vertelt de oorlogsgeschiedenis rond de fusillades en het crematorium. Annelies Kok schreef dit stuk over de geschiedenis van het Verzetsmonument.

Het Verzetsmonument

Op de plaats van dit Verzetsmonument markeren stalen palen de contouren van het vroegere crematorium. Daar doorheen loopt een pad naar de zwarte grafsteen met de tien namen van de mannen die in Witten omkwamen. Rechts daarvan staan negen zuilen van cortenstaal, met daarop de 67 namen van mannen en van die ene vrouw die op deze beladen plaats begraven zijn of begraven waren.

Fusillade op het Witterveld
In de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 22 september 1949 verscheen het volgende bericht:

Op 20 september 1943 hebben een aantal Duitse militairen in het Witterveld, bij de kogelvanger bij baan 4 een vijftal palen in de grond geplaatst en in de avondschemering werden op deze plaats de tien verzetsstrijders gefusilleerd. Sindsdien heerste er duisternis rond deze moordzaak, doch na jarenlang speuren en onderzoeken is het nu gelukt volledig licht in deze verschrikkelijke zaak te brengen, terwijl de plaats waar as van deze jonge mensen destijds inderhaast aan de schoot der aarde werd toevertrouwd, is gevonden.

De tien mannen waren Jans Diemer, Andries Diepenbrug, Wessel Jan Knot, Pieter van Laarhoven, Rendert de Poel, Geert Por, Anne Rutgers, Jan Toet, Roelof Tuin en Johannes Vis. De jongste was op twee dagen na 21 en de oudste 41 jaar oud. Ze waren betrokken bij overvallen op distributiekantoren en de burgerlijke stand, poging tot brandstichting in het gemeentehuis van Exloo en bij de moord op 31 juli 1943 op het fietspad tussen Zuidlaren en in Midlaren op NSB’er Willem Reilingh.

Het krantenbericht vertelt verder hoe de lichamen van de mannen dezelfde nacht nog naar het crematorium van Kamp Westerbork werden gebracht. De moordenaars hebben geprobeerd om zelf de verbrandingsoven aan te steken en toen dat niet lukte, werden twee gevangenen uit het kamp die bij het crematorium werkten, opgehaald. Zij moesten de lijken verbranden. Kampcommandant Gemmeker beval hen hierover te zwijgen, op straffe van de kogel. Ondertussen waren er vier Joden uit de strafbarak opgehaald, zij moesten een graf delven in het bosje achter het crematorium.

Om half negen in de ochtend was alles klaar. De vier grafdelvers werden daarna rechtstreeks naar de gereedstaande trein naar Auschwitz gebracht. Journalist Philip Mechanicus, zelf ook kampgevangene, schreef hierover:

‘Toen zij hun werk hadden verricht zijn zij, krijtwit van de ontsteltenis en walging, rechtstreeks naar de trein gebracht, waarheen ook hun rugzakken uit de barak werden vervoerd. Zij konden dus niet meer in het kamp zelf bekendmaken wat zij hadden beleefd.’

De Hamburgse journalist Werner Stertzenbach was een van de twee mannen die werkte bij het crematorium en betrokken was bij de verbranding van de tien stoffelijke overschotten. Korte tijd later ontsnapte hij uit het kamp en overleefde door onder te duiken. Begin 1949 getuigde hij in het proces tegen kampcommandant Gemmeker en wees hij de plek aan waar het massagraf zich bevond.

Een monument voor de tien mannen
De nabestaanden van de tien vermoorde mannen werden ingelicht. Zij kwamen, samen met de Stichting 1940-1945 Provincie Drenthe, op 21 februari 1949 bijeen op de vindplaats van de as. In een verslag van deze bijeenkomst is het volgende te lezen:

´Eenparig besloten de tien families, dat de as van hun geliefden achter het Crematorium dient te worden bijgezet in een gemeenschappelijk graf, omdat de as dooreengemengd is en de tien mannen in hun verzet en dood ook één zijn geweest.’

Genoemde Stichting 1940-1945 nam het initiatief tot het oprichten van een monument voor de tien mannen. In correspondentie met de ‘Houtvester Staatsbosbeheer te Assen’ is te lezen dat zij toestemming vragen om dit monument te plaatsen, de grond is immers in eigendom van Staatsbosbeheer. Ze stellen voor dat Staatsbosbeheer de grond, ter grootte van ongeveer 5 are verkoopt aan hun stichting of aan de nabestaanden, dit om ongeschonden instandhouding te bevorderen. Staatsbosbeheer antwoordde geen enkel bezwaar te hebben tegen de plaatsing van een monument op zijn grondgebied. Overdracht van de grond aan Stichting 1940-1945 of aan de nabestaanden was daarbij niet nodig, met als argument: ‘Dit laatste zal bovendien voor moeilijkheden kunnen geschieden […] omdat het Staatsbosbeheer een langer bestaan zal hebben dan de nabestaanden of uwe stichting.’ Maar de kosten van onderhoud van het monument zouden wel voor de Stichting 1940-1945 zijn.

Met spoed werd door de firma H. Engberts te Assen een grafsteen gemaakt. De kosten hiervan bedroegen ruim 1400 gulden. Dit bedrag werd betaald door de tien families van de nabestaanden. Voor twee families waren deze kosten van 140 gulden te hoog, zij konden volstaan met 100 gulden en de Stichting 1940-1945 droeg het verschil bij.

Achter het crematorium werd een grafkelder gegraven, met plaats voor twintig urnen. Dit aantal was nodig, omdat alle as niet in tien urnen paste. Op 3 mei 1949 was de herdenkingsbijeenkomst voor de tien gefusilleerde mannen. Voorin de schouwburg op het kampterrein, dat op dat moment dienstdeed als militair kamp, waren de urnen met de as van de tien verzetsstrijders opgesteld, afgedekt met de Nederlandse vlag. In een stoet van nabestaanden werden deze, twee aan twee en gadegeslagen door een militaire wacht, naar het nieuwe monument achter het crematorium gebracht en door de nabestaanden in de grafkelder geplaatst. Tijdens een korte ceremonie spraken vertegenwoordigers van de Stichting 1940-1945, de Commissaris van de Koningin, burgemeester Römelingh van Beilen en enkele nabestaanden.

Ruzie tussen Westerbork en Beilen
Dat de Stichting 1940-1945 niet voor eeuwig zou blijven bestaan, besefte de stichting ook zelf. Daarom werd in april 1949 tot twee keer toe contact gezocht met de gemeente Westerbork, met de vraag of deze na de onthulling het onderhoud van het monument op zich wilde nemen. In een brief, gedateerd op 28 april 1948, verklaarde de gemeente dat zij ´tot haar leedwezen genoodzaakt was om tot niet-overeenstemming door de gemeente te moeten besluiten.’

Na deze afwijzing deed de Stichting 1940-1945 op 3 mei, de dag van de onthulling van het monument, aan de gemeente Beilen hetzelfde verzoek. Alhoewel voor Beilen dezelfde ‘geografische moeilijkheden’ golden als voor Westerbork, besloten de burgemeester en wethouders van Beilen het verzoek om garant te staan voor het onderhoud van het monument ‘uit piëteitsoverwegingen’ wel in te willigen. Door de korte tijd tussen het verzoek en de onthulling was het niet mogelijk om de gemeenteraad te raadplegen, maar enkele weken later gaf de gemeenteraad van Beilen volledige toestemming.

 

Deze actie van de burgemeester van Beilen leidde tot hevige kritiek van burgemeester F.J. van der Worp van Westerbork. In het verslag van de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 9 juni 1949 over de eerder gehouden gemeenteraadsvergadering noemde hij het gedrag van zijn collega ‘ongehoord en onbeleefd, afgezien van het feit of ’t juridisch mogelijk is. Hij heeft wel het monument, maar niet de grond waarop het staat overgenomen.’
Van der Worp vervolgt:
‘Wij achten de plaats van dit monumentje absoluut verkeerd. Het kamp ligt op 14 km. van het hoofddorp Westerbork, zodat goed toezicht niet mogelijk is. De gemeente Westerbork weet bij ondervinding wat zich in de onmiddellijke nabijheid van het kamp afspeelt. Het feit dat het monument nu al besmeurd is, spreekt boekdelen. Van grote invloed is het feit, dat men alleen kan overnemen het monumentje op zichzelf. Zelfs de onmiddellijke omgeving van de grond waarop het monumentje is geplaatst is eigendom van de Staat (Staatsbosbeheer). Een andere overweging is dat niemand weet wat de uiteindelijke bestemming van dit kamp is en welke kampbevolking in de toekomst te verwachten is. Naar onze mening moet dit monumentje blijven onder de zorg van de Stichting 1940-1945, aan wie het gemeentebestuur van Westerbork alle medewerking en hulp toegezegd heeft.’

Natuurlijk lokte dit een Beiler reactie uit. Raadslid H. Folkers diende de burgemeester van de buurgemeente van repliek. Naast dat hij aangaf dat ´kosten of moeiten nimmer een beletsel mogen vormen voor iets wat ons zo zeer ter harte gaat, als de gedachtenis der verzetsslachtoffers, die toch alles gaven en riskeerden ten bate van ons allen’ weerlegde hij ook het feit dat het monument besmeurd was, volgens hem kwam dit door de hevige regenval na de kranslegging. Hij had het geïnspecteerd en het was nu ‘reeds geheel in orde’.

 

Tijdens het wapengekletter over en weer verweten de twee buurgemeenten elkaar allerlei andere lelijke dingen die niets met de kwestie van het monument te maken hadden. De storm waaide echter over. Eind 1953 besloot de gemeente Westerbork alsnog om het onderhoud van het Verzetsgraf op zich te nemen. Na toestemming van de gemeente Beilen, de Stichting 1940-1945 en de nabestaanden werd het monument op 1 januari 1954 aan Westerbork overgedragen.

Executies bij het crematorium
Om de bewoners die in Kamp Westerbork stierven te cremeren, werd in het begin van 1943 een stukje buiten het kamp een crematorium gebouwd. Het gebouwtje kreeg een centrale gang en aan weerszijden twee vertrekken, bedoeld voor opbaring en ritueel wassen. Daarachter was de oven. Er zijn hier meer dan 525 kampbewoners verast. Na de crematie werd hun as in urnen naar Amsterdam gebracht en vandaar naar verschillende Joodse begraafplaatsen.


Het crematorium van kamp Westerbork.

Het is bij het grote publiek niet zo bekend dat er bij het crematorium heimelijke executies hebben plaatsgevonden. Zes keer werd er hier een groep mensen neergeschoten. Op 6 september 1944 voor het eerst, de slachtoffers waren 4 Joden die het kamp probeerden te ontvluchten. Na hen vonden nog 48 mannen de dood, 46 verzetsstrijders en 2 represailleslachtoffers. Op 25 september 1944 betrof de groep geëxecuteerden 12 mannen, gevolgd door 17 mannen op 12 oktober. Op 19 oktober 1944 kwamen 3 Beilenaren, te weten Lambertus Bruulsema, Hendrik Wiegers en Lammert Zwanenburg, voor het vuurpeloton. De twee laatste executies waren op 27 en 28 oktober 1944, hier kwamen respectievelijk 9 en 7 mannen om het leven.

Na de crematie werd hun as in een massagraf geplaatst, vlakbij het crematorium. Ooggetuige Aad van As, destijds medewerker van de gemeente Westerbork in het kamp, zag vanuit zijn dienstwoning fusillades plaatsvinden. Hij getuigde hierover:
Vanuit mijn raam zag ik mensen opgesteld staan [...]. Hun vonnis werd hardop voorgelezen en het werd een paar minuten later ook uitgevoerd. In ganzenpas werden de verzetsstrijders achter het crematorium geleid en op een rij gezet met hun ruggen naar het peloton. Ze moesten de handen in de nek houden. Vanuit die positie werden de mensen in de rug neergeschoten.’

Na de executie moesten Selfried Fuchs (1913-?), tuinman in het kamp en Isidor Fontijn (1900-1972), voormalig elektrotechnisch ingenieur, de lichamen naar het crematorium brengen en verbranden. Lea Fuchs-van Leeven, de vrouw van Selfried Fuchs, verklaarde later:
‘Bovendien hebben ze van iedereen die daar doodgeschoten en verbrand is een of ander persoonlijk voorwerp genomen, een stukje van een hemd of een deel van een broek, een bril of een kunstgebit. Die spullen stopten ze in een doos en verborgen het in het bos. Op de achterkant van de deurpost van het crematorium, een plek waar het niemand opviel, hebben ze elke keer de datum en het aantal mensen dat ze moesten verbranden ingekrast. Na de oorlog kon de Nederlandse overheid hierdoor bijna alle mensen identificeren.’

De Joodse gevangenen begroeven de as van de gevallenen steeds op een andere plek, daardoor wist men later waar welke groep lag. De rood omcirkelde nummers op de afbeelding van het crematorium geven de plaats aan waar men de asresten vond. De genoemde data zijn niet correct, direct na de oorlog was er enige onduidelijkheid over de verschillende executiedata.

'Hun vonnis werd hardop voorgelezen en het werd een paar minuten later ook uitgevoerd. In ganzenpas werden de verzetsstrijders achter het crematorium geleid en op een rij gezet met hun ruggen naar het peloton.'

Drie graven op het kerkhof in Westerbork
Kort na de bevrijding werden deze massagraven ontdekt. De as van de omgekomenen werd herbegraven op begraafplaatsen in Beilen, Groningen en Loenen. Maar men ontdekte nog een massagraf. Op 14 mei 1945 vond men langs het prikkeldraad een plaats die kortgeleden omgewoeld leek te zijn. Een luitenant, werkzaam op het inmiddels in Kamp Westerbork gevestigde interneringskamp, liet een aantal gevangenen op die plek graven en vond zes blankhouten lijkkisten. Deze kisten bleken de stoffelijke resten te bevatten van zes mensen die op 3 oktober 1944 in Zwolle geëxecuteerd waren en daarna in eerste instantie ongekist en heimelijk begraven waren. Deze slachtoffers waren opgepakt op hun onderduikadres, het waren drie Joden en drie werkontduikers. Bij werkzaamheden aan de IJssellinie op 13 februari 1945 stuitte men op deze stoffelijke resten. De lichamen werden alsnog gekist en overgebracht naar het crematorium van Westerbork. Bij aankomst echter bleek het crematorium door een gebrek aan brandstof niet meer te werken. De zes stoffelijke overschotten werden toen in de buurt van het crematorium begraven.

De zes werden herbegraven, twee werkonderduikers in Den Burg, de derde in Loenen. De drie Joodse slachtoffers van de moord in Zwolle werden herbegraven op de begraafplaats van Westerbork. Zij zijn Eva Schnell-Jolowicz (1913), haar man Alfred Schnell (1910) en Hans Marius Koopal (1920).

Eva was onderwijzeres, haar man Alfred was chemicus. Het echtpaar Schnell-Jolowicz was eerder uit Duitsland gevlucht en in de oorlog ondergedoken geweest in Oldebroek. Kantoorbediende Hans Marius Koopal kwam uit Amsterdam en werd opgepakt op zijn onderduikadres in Zwolle. Hun laatste rustplaats is nu aan de rand van de oude begraafplaats van Westerbork. Elk jaar op 4 mei wordt tijdens de stille tocht langs de monumenten en gedenkstenen in Westerbork, ook stilgestaan bij deze graven. 

Wat gebeurde er met het crematorium?
Tegelijk met het verzoek dat de Stichting 1940-1945 op 9 maart 1949 aan Staatsbosbeheer deed voor de plaatsing van een grafsteen voor de 10 in Witten gefusilleerde verzetsstrijders, benadrukte ze het belang van het crematorium als herinnering aan de gruwelen die plaatsgevonden hebben in en bij Kamp Westerbork. In een brief schrijft de directeur, de heer Schoon:
'De Stichting 1940-1945 in Groningen en Drenthe zou er zeer veel prijs op stellen dat het lijkenhuis met Crematorium intact gelaten wordt evenals de graven, die ernaast en achter liggen. Dit Crematorium is een symbool van machtswellust van het Nationaal-Socialisme en het lijden en de dood van Israëlieten en Verzetsstrijders. Dit Crematorium is een historisch monument en een authentiek stuk oorlogsdocumentatie.'

In dezelfde tijd kreeg het voormalig doorgangskamp Westerbork een nieuwe functie. Tot december 1948 was het een interneringskamp voor NSB’ers en SS’ers, daarna nam het Ministerie van Oorlog de leeggekomen barakken over. Er werd een militair kamp in gevestigd en op 1 maart kwamen de eerste kwartiermakers. Een van hen was soldaat H. de Vries. Jaren later beschreef hij in een interview hoe hij het kamp toen aantrof:
‘Alle barakken stonden er nog en ook de wachttorens en het prikkeldraad. Natuurlijk gingen we op onderzoek uit. We vonden rechts van de ingang, een beetje buiten het kamp, een klein wit gebouwtje, het leek wel een kerkgebouwtje. Het bleek het crematorium van Kamp Westerbork. We zijn het gebouwtje binnengegaan en vonden in een hoek een teil met menselijke botten. Dat was natuurlijk, laten we eerlijk zijn, niet zo leuk. We wisten natuurlijk waar die vandaan kwamen. Die zijn daar gekomen als overblijfselen van mensen die daar gecremeerd zijn. En gelijk dezelfde avond hebben ze het gebouw op slot gedaan, mochten we er niet meer in.’

Het afgesloten houden van het crematorium lukte klaarblijkelijk niet. Op de laatste dag van 1949 stond er in de Provinciale Drentsche en Asser Courant een artikel met de titel: ‘Piëteitsvol gebouwtje wordt verwaarloosd.’ Het klaagde over de haveloze en vervallen staat van het gebouw ‘waarbinnen zich nog urnen met de stoffelijke resten van gecremeerde landgenoten bevinden zijn, terwijl men ook buiten het gebouwtje urnen ziet rondslingeren’.

Het militair kamp is er maar een half jaar geweest. Vanaf juli 1950 kwamen er nieuwe bewoners in de barakken, repatrianten uit het in december 1949 zelfstandig geworden Indonesië. En nog steeds was er geen besluit genomen over wat te doen met het crematorium. Directeur Schoon van de Stichting 1940-1945 legde, na een inspectie van het crematorium in november 1950, in een brief het dilemma aan de leden van zijn stichting voor. Hij beschreef de toestand van het crematorium als volgt:
‘Ik constateerde, dat de deur weer losgebroken was en dat er ± 7 ruiten stuk zijn. Bovendien is een raamkozijn met 4 ruiten geheel verdwenen. De inventaris (urnen, kast en oven met gereedschappen) was geheel intact en op dezelfde plaats als maanden tevoren, zodat ik versterkt werd in de mening, dat de voornaamste drijfveer bij het vernielen van ruiten en deurslot de nieuwsgierigheid is en geen baldadigheid van de Kampbewoners, thans gerepatrieerden, voorheen militairen.’

De heer Schoon was al vanaf het begin duidelijk voorstander van behoud van het crematorium voor het nageslacht, ‘ter kennisname van de tyrannie van de jaren ’40-’45’. Maar hij had ook oog voor de andere mening, die, zoals hij in dezelfde brief vermeldde, verwoord werd in een ingezonden artikel in de Nieuwe Drentsche Courant van 20 oktober 1950:
‘Kunt u het crematorium niet doen verdwijnen? Weliswaar is nu de deur dichtgespijkerd, maar hoe lang? Al zo vaak werd de deur verzegeld en weer opengebroken. Zeker, het crematorium ligt buiten het woonoord en er komen betrekkelijk weinige van de bewoners. Maar niettemin, ze komen er en zij ergeren zowel als bedroeven zich. Afbraak van het crematorium betekent alleen maar winst. Bovendien zou dan ook een waardiger omgeving zijn gevonden voor de achter dit oord der duivelse verschrikking begraven liggende helden van het verzet.’

Het voorstel van de Stichting 1940-1945 om het crematorium toch te behouden, stuitte op verzet. Staatsbosbeheer, verantwoordelijk voor het terrein, zag niet graag ‘groepen herdenkende mensen’ op zijn terrein. Maar ook van Joodse zijde bestond geen noodzaak tot behoud: ook zonder monument zou de herinnering levend blijven. Het gevolg was dat eind 1951 het crematorium werd gesloopt.

Het nieuwe Verzetsmonument
Na de oorlog duurde het jaren voor men eraan toe was om te herdenken. Het was de tijdgeest van de wederopbouw en men wilde het liefst de ellende van de oorlog vergeten. Er werd besloten dat de barakken van het voormalige Kamp Westerbork, nu Woonoord Schattenberg, afgebroken moesten worden, om plaats te maken voor de twaalf radiotelescopen van de Radiosterrenwacht. De Molukse bewoners moesten weg, voor hen werd nieuwe huisvesting gevonden.

De komst van de Radiosterrenwacht was voor burgemeester L.T. Lieve van Westerbork een uitkomst. Hij verwoordde het in een interview met De Volkskrant op 19 januari 1966 zo:
‘Ik ben blij dat het kamp met de grond gelijkgemaakt wordt. Meer dan vijfentwintig jaar heeft mijn gemeente nu al een slechte naam erdoor en wij hebben het waarachtig niet gewild en het nog veel minder geanimeerd. Maar al die decennia nu al heeft Westerbork, een van de mooiste en aan natuurschoon rijkste gemeenten van Drenthe, een slechte naam overgehouden aan het kamp. […] Maar wij hebben meer. We hebben natuurschoon. Wij zijn vriendelijke Drenten. Ik ben blij, dat de naam Westerbork met die radiotelescoop verbonden wordt. Dat verbetert de zaak wat.’

Toch stond burgemeester Lieve hier dubbel in. Hij was zeer zeker ook een voorstander van de oprichting van een herdenkplaats. In hetzelfde interview zegt hij:
‘Ik wil helemaal niet het kamp Westerbork wegdringen uit het beeld, dat ze van Westerbork hebben. […] Ik vind het eerlijk gezegd te kaal, te steriel om het nu allemaal zomaar te laten verdwijnen. De Joden in Amsterdam zijn bang dat een monument een ding wordt waar mensen zich aan komen vergapen. Dat willen ze niet. Het is allemaal te erg geweest. […] Misschien dat we zoiets ook in het kamp doen: dat stootblok waar het treintje aankwam, waarmee ze werden weggevoerd, in stand laten en dan er een eenvoudig gedenkteken bij, misschien met een plaat met een goede tekst er op. Je kunt niet aanvaarden dat die barakken met de grond gelijk worden gemaakt en dat er niets meer zal zijn om ons eraan te doen herinneren.’

Jaren verstreken weer. De tijd werd rijp om te herinneren en te herdenken. Op 12 april 1983 opende het Herinneringscentrum Kamp Westerbork haar deuren. Het kampterrein werd opnieuw ingericht, een proces dat ook vandaag de dag niet stopt.

In het kader van het Jaar van het Verzet werd op 27 oktober 2018 het monument ter herinnering aan het crematorium van Kamp Westerbork onthuld. Vlakbij de zwart marmeren grafsteen uit 1949 werden de palen die de contouren van het vroegere crematorium aangeven, toegevoegd. En negen zuilen van cortenstaal in een halve cirkel vermelden de 68 namen van de slachtoffers die bij Kamp Westerbork begraven liggen of hebben gelegen. Onder deze namen dus ook die van de enige vrouw, Eva Schnell-Jolowicz.

Adoptie door de basisscholen De Wegwijzer en De Lindelaar 
Bij de onthulling in 2018 werden ook de leerlingen van de beide Westerborker basisscholen De Wegwijzer en De Lindelaar betrokken. Zij hebben het monument geadopteerd. En altijd, maar helaas niet in het coronajaar 2020, zijn de leerlingen van de groepen 7 van beide scholen aanwezig bij de vijfjaarlijkse herdenking bij het Verzetsmonument. Bij de voorbereidingen voor de jaarlijkse 4 mei-herdenking lopen de kinderen langs dit monument om er bloemen te leggen.

 
Het Verzetsmonument is een waardig monument geworden. De plek van het crematorium, waar zoveel ellende plaatsvond, krijgt nu de zorg en aandacht die het verdient, ook van de komende generaties. Van veel van de verzetsstrijders is hun leven beschreven op deze website. 

Dit artikel is eerder verschenen in Fragmenten 22-1 van de Historische Vereniging Westerbork

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.