Eduard Stolper

Op 12 oktober 1944 werden er bij het crematorium van kamp Westerbork 17 verzetsstrijders gefusilleerd. Hun namen en de namen van enkele andere tientallen mensen die daar werden vermoord en/of gecremeerd zijn sinds 2018 te lezen op de bij deze executieplaats geplaatste gedenkzuilen. De naam van Eduard Stolper staat tussen de namen van de op 12 oktober 1944 vermoorde mannen. Ad van der Logt schreef over hem een uitgebreid verzetsportret. 


Foto: Gemeentearchief Veendam

Eduard Stolper

Voornaam
Eduard Eugen
Achternaam
Stolper
Geboortedatum
09 november 1888
Geboorteplaats
Amsterdam
Sterfdatum
12 oktober 1944
Sterfplaats
kamp Westerbork

Eduard Eugen Stolper werd op 9 november 1888 in Amsterdam geboren als de oudste zoon van Eugen Eduard Stolper (*1861) en Anna Maria Boxem (*1859). Zijn vader was bij zijn geboorte een zevenentwintigjarige kelner en afkomstig uit Leipzig (Duitsland), zijn moeder was twee jaar ouder, naaister van beroep en een geboren en getogen Amsterdamse. Op 6 november 1884 trouwden ze met elkaar en ze betrokken een woning in de Daniël Stalpertstraat 11 in de Oude Pijp in het stadsdeel Oud-Zuid. Zijn vader trouwde daarna nog twee keer: op 25 juli 1895 met Margaretha Levina Johanna Wolff (*1862) en op 23 mei 1912 met Maria Josephina Joukes (*1882).

Eduard Stolper had twee oudere zussen Anna Maria (*1885) en Anna Thekla Elisabeth (*1886). Na zijn geboorte kwamen nog twee kinderen: Johan Frank Claus (*1890) en Anna (1893). Uit het tweede huwelijk van Stolper sr. werd nog een zoon geboren: Karel Christiaan Frederik (*1896). Dat drie kinderen Anna genoemd werden, betekent niet dat de eerste twee vroegtijdig zijn overleden. De eerste twee Anna’s zijn ook in de twintigste eeuw terug te vinden in de archieven van de burgerlijke stand. Wellicht verwijst hun naam naar hun moeder en hadden ze een andere roepnaam.

Over Eduards jeugd in Amsterdam is niet veel bekend. We weten in welk deel van Amsterdam hij opgroeide maar waar hij naar school ging en welke opleiding hij volgde blijft onduidelijk. Wel is bekend dat hij op 15 januari 1907 vanuit Den Haag naar Amsterdam terugkeert. Volgens het bevolkingsregister is hij dan hulpmonteur en het is dus heel goed mogelijk dat hij in de Hofstad een elektrotechnische opleiding heeft gevolgd of als gezel aan het werk is gegaan. Een half jaar later, op 7 juni 1907, gaat hij naar Hamburg. Gezien de Duitse afkomst van zijn vader en grootvader is dit geen verwonderlijke stap. Ook nu zal een vervolgopleiding of het opdoen van meer werkervaring de reden zijn geweest. Begin februari 1908 is hij weer terug in Amsterdam en woont achtereenvolgens op Marnixkade 44, Ferdinand Bolstraat 81 en Nassaukade 340. In de rest van dat jaar vervult hij zijn militaire dienst bij het regiment genietroepen op de Leusderheide bij Zeist. Drie jaar later moet hij zich voor herha-lingsoefeningen weer bij dit onderdeel melden. Op 2 maart 1909 schrijft hij zich in bij de gemeente Veendam en woont dan voor korte tijd op Beneden Oosterdiep 24D.

De jaren bij het Gemeentelijk Energiebedrijf Nieuwe Pekela

Tijdens de vergadering van de gemeenteraad van Nieuwe Pekela op 24 oktober 1910 is een van de ingekomen stukken een brief van Stolper waarin hij de raad bedankt voor zijn benoeming als monteur-boekhouder van het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf. De notulist noteerde dat zijn schrijven voor kennisgeving werd aangenomen. Een jaar later is de raad zeer tevreden over hem: de balans, winst- en verliesrekening van het energiebedrijf wordt met algemene stemmen goedgekeurd waarna een bijzonder woord van hulde Stolper ten deel valt. Hij wordt omschreven als ijverig en accuraat en hij heeft alles perfect in orde. Jaarlijks zal de gemeenteraad hem positief beoordelen. Maar het jaar daarop staat de raad toch niet toe dat Stolper ook bij particulieren werk verricht. Hij is ten slotte in dienst van de gemeente, redeneert men. Dat neemt niet weg dat Nieuwe Pekela niet veel later besluit Stolper een woning met elektrisch licht aan te bieden. Een voorstel van de lichtcommissie per 1 januari 1913 zijn jaarwedde met fl. 100 te verhogen wordt bij de volgende begroting behandeld. Als eind augustus 1912 blijkt dat het gemeentelijk energiebedrijf meer dan fl. 1900,- winst heeft gemaakt, hoeft Stolper niet bang te zijn voor zijn toekomst. Zelfs de 100 gulden loonsverhoging krijgt hij toegekend, want de gemeente wil zo’n kundig monteur-boekhouder niet kwijtraken.


Nieuwe Veendammer Courant, 24 augustus 1912

Natuurlijk heeft hij weet gehad van deze ontwikkelingen en daarom is het tijd zich definitief te settelen. In hetzelfde jaar verschijnt op 24 augustus in de Nieuwe Veendammer Courant de aankondiging van zijn verloving met Roelfiena (roepnaam: Roelftien) Holtman. Zij is 15 maanden ouder en afkomstig uit Nieuwolda, een dorp in het Oldambt. Zij trouwen, zoals de vooraankondiging al aangeeft op 12 september 1912, niet in Nieuwe Pekela of Veendam, maar in Amsterdam. Met de keuze zal vooral rekening gehouden zijn met Eduards familie.

Zij krijgen drie kinderen: Eduard Eugen Stolper is de oudste, hij wordt geboren op 13 juli 1913 in Nieuwe Pekela en zal later in het voetspoor van zijn vader treden. Hij gaat naar de HBS, volgt een technische opleiding en studeert verder in Duitsland. In 1939 zal deze 25-jarige ingenieur in het huwelijk treden met de Berlijnse Anna Marie Milkuschütz, maar na zes jaar volgt een scheiding. Carl Otto is de jongste, hij komt eind september 1926 ter wereld, gaat ook naar de HBS en wordt tweede luitenant in het leger. Half oktober 1950 trouwt hij met mej. C. Bakker. Begin jaren twintig wordt Johanna geboren, zij is echter niet in de digitale archieven terug te vinden. Ook zij volgt vanaf 1933 de HBS, maar haar overgang naar de eindexamenklas is het laatste schoolbericht.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog is Stolper gemobiliseerd. Waar hij precies verblijft en voor hoelang is niet duidelijk. Hij heeft een kamer moeten huren om in zijn spaarzame vrije tijd de boekhouding van het Gemeentelijk Energiebedrijf te kunnen bijwerken. Hij heeft de ge-meenteraad daarom in 1915 een tegemoetkoming in de kosten gevraagd. Deze is van oordeel dat Stolper er zoals gewoonlijk alles aan doet om het bedrijf zo winstgevend mogelijk te maken; daarom krijgt hij wel een tegemoetkoming, maar de reiskosten moet hij zelf betalen.

Vanaf 1919 vervult Stolper verschillende bestuursfuncties in het onderwijs in nieuwe Pekela. In oktober 1919 is hij één van de bestuursleden voor de Handelscursus die dat jaar van start gaat, een functie die hij minstens tot 1926 zal vervullen en waarbij de cursus drie jaar in beslag neemt. Leerlingen kunnen zich voor 25 oktober bij directeur A. Robertus of bij het bestuur melden. En in december 1922 is hij voorzitter van de oudercommissie van de openbare school in Nieuwe Pekela waar hij tijdens een vergadering voor de invoering van school-rapporten pleit. Zijn voorstel wordt aangenomen.

Op basis van zijn expertise houdt hij in de jaren twintig, begin dertig voor diverse verenigin-gen en organisaties (o.a. de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen en het Groene Kruis) lezingen over het verstandig gebruik van elektriciteit. Vaak sluit hij deze af met lichtbeelden over verschillende landen. Of die het resultaat zijn van zijn vakanties, is niet meer te achter-halen. Ook wordt Stolper in de krantenverslagen vaak bedankt voor het uitlichten van de kerktoren en het gemeentehuis. Met zijn werk gaat het crescendo. Van monteur-boekhouder is hij opgeklommen tot directeur en het Nieuwsblad van het Noorden weet op 27 december 1922 te melden dat Stolpers jaarwedde van fl. 2400 tot fl. 3500 verhoogd wordt. Daarnaast heeft hij nog steeds de beschikking over een vrije woning met licht. In mei 1927 krijgt Nieu-we Pekela een automobielbrandspuit die gestationeerd wordt aan de Doorsnee. Zeven spuit-gasten zullen de brandspuit bedienen. Stolper is door de gemeente tot brandmeester be-noemd en het zal niet lang duren voor hij ook hierbij zijn capaciteiten kan tonen.


Autobrandspuit uit de jaren twintig. Bron: https://www.conam.info/

Op 21 januari 1928 verschijnt in De Noord-Ooster onderstaand bericht:

NIEUWE-PEKELA, 20 Jan. Hedenmorgen geraakte alhier een personenauto van ‘D.a.g.o.’ uit Veendam, komende van de richting Stadskanaal, op de Doorsnede in brand. De chauffeur, hierop door voorbijgangers opmerkzaam gemaakt, stopte onmiddellijk en wel juist bij het Gem. Electr. Bedrijf. De heer Stolper, die het gevaar waarin chauffeur en auto verkeerden, ook reeds had opgemerkt, stelde direct de bij het bedrijf gestationeerde autospuit in wer-king en in een minimum van tijd werd het vuur met een flinken straal aangetast. Na korten tijd was men het vuur meester, doch de motor was zoodanig gehavend, dat de reis niet kon worden voortgezet. Door het krachtig optreden van den heer S. is. ‘D.a.g.o.’ zeer zeker voor grootere schade behoed.

Stolper is tevens een fanatiek motorrijder. Sinds 4 juni 1919 berijdt hij een Douglas (kenteken A 2884), een toermotor met een cilinderinhoud van 600 cc. Hij neemt deel aan verschillende toentertijd populaire wimpeltochten en tijdens de motorfeesten in juni 1925 in Veendam behaalt hij een tweede plaats in de categorie amateur-senioren. Daarnaast is hij politiek actief. Bij de verkiezingen voor de provinciale staten in het voorjaar van 1923 blijkt Stolper secretaris van de plaatselijke afdeling van de Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) in Nieuwe Pekela. Landelijk valt de partij terug van 44 naar 38 zetels in de Provinciale Staten, in Groningen krijgt de VDB 5 zetels.

Een eigen elektrotechnisch bureau

Na zeventien jaar Nieuwe Pekela lijkt Stolper aan een andere uitdaging toe; hij wil voor zichzelf beginnen. Daarom neemt hij twee beslissingen: een pand kopen waar hij een elektrotechnisch bureau annex winkel kan beginnen en zijn baan opzeggen. In het voorjaar van 1929 is het huis van dr. Hessels in de Kerkstraat 10, Veendam vrijgekomen. Bij een openbare veiling weet makelaar G.H. Mulder het pand voor hem te kopen. De verbouwing kan beginnen.


De winkel van Stolper. (Archief Veenkoloniaal museum, Veendam)

Eind juni krijgt Stolper eervol ontslag per 1 september. En in de zomer verschijnen de eerste advertenties voor monteurs en een verkoper in de regionale kranten. Onder leiding van architect P. T. Wieringa en uitvoerder J. Prins vordert de verbouwing gestaag. Stolper zelf legt de elektrische installatie aan. Op 2 november volgt de feestelijke opening. Zijn bureau is in staat installaties voor licht, kracht, warmte en radio uit te voeren. Eén van de etalages is speciaal door Philips verzorgd en daar is ook de Electro Econoom, een modern elektrisch fornuis, te bewonderen. Een maand later laat Stolper via advertenties weten dat zijn technisch bedrijf ook motoren en apparaten levert en repareert.


De Noord-Ooster, 14 november 1929

Later betrekt hij met zijn gezin een woning in de Parklaan 13.

De Parklaan in Veendam. Bron: Beeldbank Groningen (https://www.beeldbankgroningen.nl/beelden/detail/5edb0472-a277-8e02-c036-c70d1fe800f5)


E.E. Stolperlaan 13 (destijds Parklaan) tegenwoordig.

Het gaat er nu om naamsbekendheid op te bouwen en opdrachten binnen te halen. Half januari 1930 wordt Stolper lid van de Handelsvereniging Veendam. Voor een bijeenkomst van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen half februari 1930 in Stadskanaal maakt hij een tentoonstelling waarin het publiek kennis kan maken met verschillende huishoudelijke apparaten. In dezelfde februarimaand sleept hij een order in de wacht om de nieuwe lichtinstallatie voor de strokartonfabriek ‘De Union’ in Oude Pekela uit te voeren en in juni installeert hij de verlichting voor de winkel Maison Moderne. In augustus doet de organisatie van de Veendamse zomerspelen een beroep op hem om de verlichting te verzorgen. Stolper bevestigt aan de toren één van de grootste lampen die Philips ooit heeft gemaakt, waardoor het hele stadje wordt verlicht. En de opdrachten blijven binnenstromen: de realisatie van een lichtinstallatie van 100 lampen voor de Bataafsche Import Maatschappij in Stadskanaal en in 1933 de montage van vijf transformatorstations in de provincie Groningen.

Electro Econoom 1928. (Bron: https://geheugen.delpher.nl/nl)

De verkoop in de winkel laat Stolper maar al te graag over aan zijn vrouw Roelftien. Vanaf begin januari 1935 verkoopt mevr. Stolper niet alleen lampen, strijkijzers en snelkokers, maar begint zij een kunsthandel annex winkel in keramiek. Hoewel ze niet voor de kunsthandel was opgeleid, beschrijft G.H. Streurman, leraar aan het Winkler Prins lyceum in Veen-dam, in zijn boek Kent U ze nog, de Veendammers en Wildervankers, had zij ‘van nature een fijne smaak voor esthetisch verantwoorde, werkelijk mooie dingen zoals oosterse tapijten, antieke schilder- en beeldhouwwerkjes, sieraden, fraaie boekbanden enzovoorts. Zij paarde een helder, verstandig oordeel aan een groot gevoel voor humor.’


Roelftien Stolper (Gemeentearchief Veendam)

De openingstentoonstelling bevat werken van de in Nederland woonachtige schilder Vilmos Huszár (1884-1960), lid van de kunstbeweging De Stijl, en beeldhouwwerken van Albert Termote (1887-1978), lid van de Pulchri Studio in Den Haag. Een half jaar later volgt een tweede tentoonstelling met deelname van Suze de Lint (Den Haag, etsen), Hendrik Antonius Ter Reegen (Veendam, beelden) en Paul van Maaren (Kijkduin, edelsmeedwerk). De typering ‘antieke schilder- en beeldhouwwerkjes’ moet op basis van de kwaliteit en artisticiteit van genoemde kunstenaars als een eufemisme worden beschouwd.

In de laatste jaren voor de oorlog is Stolper nog steeds zeer actief, dit geldt zowel voor zijn werk als voor zijn maatschappelijke betrokkenheid. Je zou kunnen stellen dat hij zijn draai in Veendam gevonden heeft. Het gaat te ver om de diverse opdrachten (o.a. de installatie van de verlichting van het veld van de voetbalclub Veendam) hier te noemen.

In augustus 1936 wordt de naam van Stolpers bedrijf gewijzigd in: Ingenieursbureau Eduard Stolper. Dit heeft wellicht te maken met het behalen van de ingenieurstitel van zoon Eduard. Stolper is in deze jaren lid van een commissie van de Handelsvereniging Veendam, die tot taak heeft een nationale winkelweek te organiseren. Vanaf half november ’35 is hij voorzitter van de winkeliersvereniging ‘Centrum Veendam’, die de belangen van de winkeliers in de Kerkstraat wil behartigen door bijvoorbeeld tijdens Sint-Nicolaas een elf-daagse winkelverkoop te houden. Vanaf januari 1938 zit hij in de Commissie van Toezicht voor de Gemeentelijke Arbeidsbeurs. En in 1939 blijkt Stolper ook zitting te hebben in de Commissie van Beheer van de Veendamse Handelsavondschool. Tevens maakt hij deel uit van het Dagelijks Bestuur van het Borgstellingsfonds voor de Veenkoloniën. In de loop van 1942 neemt hij het secretariaat van Algemeen Borgstellingsfonds voor de middenstand in de Veenkoloniën op zich.

De politiek blijft zijn interesse houden. Het blijft niet alleen bij het volgen van de politieke verslagen in de krant. Hij is nog steeds actief in de VDB en daarom staat hij bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1939 op plaats 7 van de kandidatenlijst. Hijzelf krijgt acht van de 949 op de VDB uitgebrachte stemmen, maar toch worden twee kandidaten ervan in de gemeenteraad verkozen.

Dat Stolper zich bij de ondergrondse zou aansluiten, lag in de lijn der verwachting.

Verzet

De auteurs van Represailles in Groningen, 1940-1945 schrijven dat Stolper deel uitmaakt van de Ordedienst (OD) en Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Hij is één van de vier plaatselijke commandanten van de Veendamse OD en houdt zich o.a. bezig met de hulp aan onderduikers door voedselpakketten te verzorgen voor gijzelaars in Haaren en St. Michielsgestel. Dat Stolper zich bij de ondergrondse zou aansluiten, lag in de lijn der verwachting. Zijn onverzettelijke principiële natuur (een typering van Streurman), zijn liberale politieke signatuur en zijn keuze voor de Nederlandse Unie op 26 april 1941 maken duidelijk dat hij iets wil ondernemen tegen de Duitse bezetter.

Hoe Stolper bij het georganiseerde verzet is gekomen, is niet meer te achterhalen. Hij is, samen met Jakob Bruggema (1909-1944), Huibert Ottevanger (1911-1996), Hendrik Dekker (1892-1955) en Anton Swart (1903-1944), één van de initiatiefnemers van wat zal uitgroeien tot het Veendamse verzet. Tot begin 1943 houdt hij zich vooral bezig met de hulp aan onder-duikers. Dekker, een andere plaatselijke OD-commandant, schrijft in een rapport dat Stolper honderden pakketten verstuurd heeft. Zijn woning lijkt wel volgestouwd met goederen, aldus Dekker. Nadat architect Bruggema, eveneens actief in de OD en LO, midden 1943 tot commandant van district VII benoemd was, wordt Stolper door Dekker, Ottevanger en Swart ge-vraagd Bruggema’s plaats in te nemen.

De OD ontstond vrij snel na de capitulatie op instigatie van officier Johan Hendrik Westerveld (1880-1942) en had als doel bij de bevrijding van Nederland de orde en rust te handhaven omdat binnen de kringen van de OD de opvatting heerste dat er dan een gezagsvacuüm zou ontstaan. Toen de bevrijding echter uitbleef, begon een groot deel van de leden in hun eigen regio met verzetsactiviteiten. De LO was een initiatief van de Winterswijkse mevr. Helena Kuipers-Rietberg, verzetsnaam Tante Riek (1893-1944), die dominee Frits Slomp, verzetsnaam Frits de Zwerver (1898-1978), uit Heemse vroeg een landelijke organisatie op te richten om onderduikadressen te zoeken voor Joden en jonge mannen. In de Veenkoloniën werd ook een plaatselijke onderduikcentrale opgericht waarvan Stolper commandant werd.

Waarom de Veendamse onderduikcentrale nu juist voedselpakketten samenstelt voor gijzelaars in Brabant, valt wellicht te verklaren uit het contact tussen Stolper en Swart. Deze inspecteur van politie was sinds 1933 in Veendam werkzaam en werd in 1942 als gijzelaar opgepakt en naar St. Michielsgestel waar hij tot 23 december van dat jaar gevangen zat. Na zijn vrijlating kon hij niet meer bij de politie en hij sloot zich aan bij de OD. Misschien heeft het verzet kans gezien hem van voedselpakketten te voorzien en is daar na zijn vrijlating mee doorgegaan voor de andere gijzelaars.

Natuurlijk hield de Duitse bezetter de houding van de Nederlandse bevolking nauwgezet in de gaten. De Befehlshaber der SD und SS had al in 1940 elk regionaal kantoor van de SD en SS (Aussenstelle) opgedragen regelmatig Stimmungsberichte naar Den Haag te sturen. Daarvoor werden invloedrijke NSB- of NSNAP-leden aangezocht om als informant te dienen. De Groningse advocaat Hendrik Rademaker was één van de eerste gerekruteerden. In oktober 1940 deed de OD haar best om geschikte (reserve-)officieren te zoeken in Groningen. Deze kwamen een keer per maand bij elkaar in de sociëteit De Faun. Ook Redeker kreeg het verzoek toe te treden en de leiding van een bepaald deel van de stad Groningen (in OD-termen ‘kwartier’ genaamd) op zich te nemen. In een gesprek met zijn collega Rademaker vertelde hij over zijn werk voor de OD. Deze gaf de informatie door aan de SD in het Scholtenhuis en op 23 april 1941 werden de meeste Groningse kwartiercommandanten gearres-teerd. De meesten kwamen er vanaf met drie tot acht maanden gevangenisstraf. Alleen Charles Ubbens (*1888), de man die de meeste OD-leden had geworven, werd op 3 mei 1942 op de heide bij Laren gefusilleerd. Ondanks deze tegenslag zou de organisatie zich spoedig herstellen.

Verraad

In de tweede helft van 1944 was de OD goed georganiseerd en door de ontwikkelingen aan beide fronten was men optimistisch over een goede afloop. Maar daar zou binnen korte tijd een einde aan komen. En weer was Redeker de kwade genius. Op 20 september 1944 stuurde hij een brief naar de Sicherheitsdienst (SD) waarin hij verschillende namen van reserveofficieren onder wie Karsien Kriegsman en zichzelf noemde en de Duitsers de suggestie deed hen in hechtenis te nemen, omdat ze ‘iets’ aan het voorbereiden waren. Oud-legerkapitein Kriegsman was districtscommandant van de OD in Groningen en ook betrokken bij verzetsactiviteiten voor de LO. Uit de getuigenissen bij de rechtbankverslagen na de oorlog blijkt dat hij vaak naar Veendam ging en dat dit bij de medewerkers van de SD in het Scholtenhuis argwaan opriep. Voorts zou Kriegsman veel documentatie, waaronder een lijst met namen van de OD-leden in de provincie Groningen, in bezit hebben gehad. Mogelijk heeft hij in Veendam contacten gehad met één of meerdere OD-commandanten – wellicht ook met Stolper – en stonden hun namen in zijn zakboekje.

Dat Redeker zichzelf in de brief noemde kwam voort uit overspannenheid en paniek naar aanleiding van Dolle Dinsdag. Door zichzelf aan te geven hoopte hij na zijn verraad in 1941 zijn naam te zuiveren. Bovendien hadden de andere leden van de OD hem sinds die tijd links laten liggen. De SD’er Robert Lehnhoff stuurde na het verhoor van Redeker opperschaarleider Otto Bouman en Tjakko Jan Jager, chauffeur voor de SD, naar de woning van Kriegsman op de Parklaan 15a in Groningen. De dag erna werden Kriegsman, zijn zoon Willem en Leo Hoekstra, een Groningse ondernemer, die met Kriegsman voor een vergadering naar Veendam zou gaan, gearresteerd en naar het Scholtenhuis gebracht. Daar wist Lehnhoff, één van de beruchtste SD’ers, Kriegsman met handige verhoortechnieken gevolgd door zware mishandelingen nog meer informatie te ontfutselen, waarna hij hem onder bedreiging dwong een brief te schrijven aan de hem bekende Jan Rengenier Dijksterhuis, de commandant van de Gronings OD, waarin hij deze voor een bespreking moest uitnodigen. Daarna werd hij naar de zolder van het Scholtenhuis gebracht waar zijn zoon Willem en Leo Hoekstra geboeid werden vastgehouden. Kriegsman begreep dat het verhoor fataal verlopen was en wilde daarom uit het raam springen. Willem en Hoekstra konden dit ternauwernood verhinderen.

De SD’er Harm Bouman, die tijdens de meidagen van 1940 in het bataljon gediend had waarvan Kriegsman het bevel voerde, werd er daarna op uitgestuurd om de brief aan Dijksterhuis te bezorgen. Omdat deze afwezig was nam zijn vrouw de brief aan en gaf hem later die dag aan haar man. Dijksterhuis ging naar de ontmoetingsplek en werd daar door de SD gearresteerd en naar het Scholtenhuis afgevoerd. De gevangen OD’ers werden verhoord wat in de praktijk op martelen neerkwam. Na dit soort ‘verhoren’ volgden nog meer arresta-ties. Ook Stolper werd opgepakt. Op 4 of 5 oktober 1944 werd hij samen Christinus Lubbers en Pieter Sneeuw in Veendam door Evert Drost van de afdeling IVb van de SD, aangehouden en door SD-chauffeur Haijo van der Schoor voor ondervraging naar Groningen gebracht.


Het Scholtenhuis in 1940. (Bron: https://nos.nl/video/237832-nazi-gruwelen-in-het-groningse-scholtenhuis.html)

Wie Stolper in het Scholtenhuis verhoorde is niet bekend. Wat zo’n ‘verhoormethode’ inhield beschreef SD’er Harm Bouman tijdens zijn naoorlogse gevangenschap in De brede weg:

‘De ondervraging begon normaal. Bij weigering, ontkenning, niet-weten of liegen volgde onvermijdelijk het bewuste ‘pak voor de broek’ met de gummiknuppel. Het overgrote deel, gerust 95%, hield dat pak slaag niet uit. Na de eerste slagen schreeuwden ze reeds, dat ze de waarheid zouden zeggen. Ze beantwoorden alle vragen, ja in hun angst vertelden ze meestal nog veel meer. Hielden ze het pak slaag uit, dan keken de ondervragers elkaar aan, want dan wisten, ze dat de met een KEREL te doen hadden. De grovere middelen werden dan toegepast. Het pak voor de broek werd met regelmatige tusschenpoozen herhaald, waarbij steeds weer op dezelfde plaats werd geslagen. Een zeer pijnlijke geschiedenis. Verder de donkere cel, de vast-koppeling aan de centrale verwarming, het slaan en stompen met de gummiknuppel in de maag, het ijskoude bad (soms wel een uur lang).
De brede weg, pg. 212. Geciteerd bij Karskens, A. (2012: 106-107).

Evert Drost hanteerde bij verhoren op forse wijze de gummiknuppel, terwijl hij ook meehielp bij de ‘badkuur’ schreef de journalist van het Nieuwsblad van het Noorden in zijn verslag van de naoorlogse rechtszaak.

De executie

Op basis van naoorlogse getuigenissen van zowel kampgevangenen als leden van het vuurpeloton is het mogelijk geweest een beschrijving van de executie van de zeventien slachtof-fers te reconstrueren.


De gefusilleerden van 12 oktober 1944.


In de vroege ochtend van 11 oktober 1944 kreeg de 37-jarige Wilhelm Stöwsand, Sturmscharführer en tot half september 1944 leider der Sicherheitspolizei (Sipo) te Breda, van Obersturmführer Josef Anders in het Scholtenhuis de opdracht om zeventien gevangenen naar Westerbork te brengen. Voor het welslagen van de onderneming, voegde Anders hem toe, droeg Stöwsand de volle verantwoordelijkheid. De volgende dag om 05.30 uur ging deze SD’er naar de zolder waar de zeventien in hun cellen opgesloten zaten. Deze taak had hij ook op zich genomen bij de executie van 25 september 1944, waarbij Kriegsman en Dijksterhuis en tien andere verzetsstrijders werden gefusilleerd. Hij las hun namen voor waarna de gevangenen naar beneden werden geleid en in een gereedstaande vrachtwagen geduwd. Hijzelf nam met Oberleutnant der Schutzpolizei Martin Schmidt, de leider van het executiepeloton, in de andere vrachtwagen plaats. Oberwachtmeister der Ordnungspolizei Joseph Adam en zijn collega’s Johan Stulze, Thoma en Julius Nachbauer en een aantal medewerkers van de SD als Ernst Paul Jendgens en een zekere Backler stapten eveneens in.

Na aankomst in Westerbork werden Stöwsand en Schmidt door de kampcommandant Albert Konrad Gemmeker begroet waarna deze de executieplaats vlak achter het crematorium aangewezen zou hebben en de executie ook hebben bijgewoond. De mannen werden in twee groepen verdeeld en naar de fusilladeplaats gebracht. Daarop werden ze in een rij opgesteld waartegenover op korte afstand het executiepeloton zich opstelde, dat bestond uit leden van de Ordnungspolizei en Begleitkommando van SD’ers. De verzetsstrijders werden met kara-bijnschoten gedood, waarna ze met een pistool een genadeschot kregen. Hierna werd de tweede groep mannen op dezelfde wijze en door dezelfde personen gefusilleerd. Het is niet bekend of Eduard Eugen Stolper tot de eerste of tweede groep gefusilleerden behoorde. Na afloop trakteerde Stöwsand de leden van het executiepeloton op een glas jenever.

De crematie

Na de executie werden, aldus Stöwsand, de ringen, papieren en andere waardevolle voorwerpen door iemand van de SD verzameld en aan hem overgedragen. Hij deed de eigendommen van de gevangenen in een envelop en stelde die ter hand aan Anders, waarna hij ze op diens bevel aan Untersturmführer dr. Ernst Knorr van de SD moest afgeven.

Het bevrijdingsportret over Manus Pront (https://bevrijdingsportretten.nl/portret/manus-pront/) geeft een andere lezing. Pront en medegevangene Selfried Fuchs zouden de opdracht hebben gekregen de lichamen van de gefusilleerden één voor één in het crematorium van kamp Westerbork te cremeren. Zij zouden veel persoonlijke bezittingen verzameld en in een doos in het bos begraven hebben. Op de achterkant van de deurpost van het crematorium, een plek waar het niemand opviel, hebben ze elke keer de datum en het aantal mensen dat ze moesten verbranden ingekrast, waardoor alle mannen na de bevrijding geïdentificeerd konden worden. De as van Stolper en kompanen werd uitgestrooid ten westen van het executieterrein en vlak achter het crematorium op de plek die op de afbeelding staat aangege-ven met het cijfer 12.


Het inmiddels afgebroken crematorium bij kamp Westerbork. 


Situatieschets met crematorium en plaats van de asresten.

Naoorlogs eerbetoon

Een eerste sinister en indirect eerbetoon vond plaats op 13 april 1945, de dag van de bevrijding van Veendam. Poolse tanks reden het stadje binnen en daarbij was geen soldaat gesneuveld, geen inwoner omgekomen en geen huis vernield. De Poolse commandant gaf meteen Huibert Ottevanger, oud-verzetsstrijder en commandant de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS), de opdracht de straten te zuiveren. En dat was nodig ook, want een deel van de Veendammers, de meeste dronken, probeerde de achtergelaten Duitse voorraden in de fabriek ‘De Vrijheid’, de Hertenkampschool, een loods bij het station en het Duitse kamp te plunderen. Hoewel de manschappen van de NBS daadkrachtig optraden – er moest zelfs uit zelfbe-scherming worden geschoten – konden zij niet verhinderen dat er heel veel geroofd, vernield en verwoest werd. In een poging de orde te herstellen hield Ottevanger een radiotoespraak waarin hij de gebeurtenissen hekelde. De regionale krant De Noord-Ooster achtte het noodzakelijk deze op 26 april ook te publiceren. Dat Ottevanger ontzettend boos was, blijkt wel uit het vervolg van zijn boodschap: ‘Onzinnige vernielingen vaak, maar de meest lage hartstochten kwamen naar boven en maakten van vele mensen – beesten –. Veel etenswaren werden in de modder vertrapt, radiolampen van honderden guldens gestolen waar niemand iets aan heeft. Maar 't verschrikkelijkste van alles was het wegroven van de goederen van Swart, Stolper en Sneeuw, die gedeeltelijk opgeslagen waren in het kamp. Zo werden deze helden beloond!’ Als verontschuldiging voerde hij aan dat de Duitsers ‘zeer veel hebben uitgedeeld en later het verschil tussen mijn en dijn eigenlijk niet meer gevoeld werd.’ Toch deed hij een dringende oproep de gestolen goederen onmiddellijk naar de school terug te brengen.

En hij betrok de zes gesneuvelden nogmaals in zijn verhaal. Door hun dood raakte het verzet in Veendam gedesorganiseerd. En tot overmaat van ramp kwamen de beloofde wapens niet, waardoor het organisatieplan van de OD in duigen viel en moest men handelen al naar gelang de omstandigheden. En daarbij werden fouten gemaakt. Ja, aldus Ottevanger, er hadden na de bevrijding mensen met een oranje band om de arm gelopen, die door hun houding tijdens de oorlog het niet verdienden zich daarmee te sieren. En ja, er is te veel gezwaaid en gedreigd met revolvers. En ja, wij hadden vroegere verzetsmensen meer moeten inschakelen. Daarvoor bood hij zijn verontschuldigingen aan. De Veendammers verzocht hij tenslotte geen nepnieuws rond te strooien over gewapende groepen NSB’ers en Duitsers, tegenover landverraders geen eigen rechter te spelen en vooral te helpen met de wederopbouw.

Een medewerker van De Vrije Nederlander, die zich verschool achter het pseudoniem ‘Oom Max’, uitte zich vier dagen na de bevrijding in zijn artikel ‘Nederlanders, let op Uw Saeck’ uiterst kritisch over de houding van sommige politiemensen, burgemeesters, drukkers en zakenlieden die de Duitse maatregelen slaafs hebben opgevolgd, nu nog steeds werkzaam zijn en waartegen niemand protesteert. En weer wordt er verwezen naar de, in dit geval 21 verzetsstrijders die hun leven hebben verloren. Eduard Stolper wordt aangehaald in de tirade over de burgemeesters: ‘Ik schaam mij over burgemeesters, die aan de bevolking briefjes hebben gestuurd met de opdracht om voor de Duitsers te werken. EN ALS JE NIET GAAT DAN GEEF IK JE ADRES DOOR AAN DE DUITSE INSTANTIES. Gij, die medeverantwoordelijk zijt voor het feit dat zulke burgemeesters nog ‘aan’ zijn, hoort Gij Bruggema niet, en Hoving, Veninga, Lubbers, de Haan, Sneeuw, Stolper en honderden meer, hoort Gij ze niet klagen: ‘zijn wij daarvoor gesneuveld, neen vermoord’?

Waarschijnlijk zal Eduard Stolper in de vele commissies en besturen waarin hij zitting had genomen herdacht zijn. Slechts een is er terug gevonden en wel in De Vrije Nederlander van 19 mei 1945. Bij de diploma-uitreiking van de cursus 1944-1945 stonden N.G. Doornbosch, voorzitter van de Commissie van Beheer, en Z.C. Nagtegaal directeur van de Veendamse Handelsavondschool stil bij zijn dood voor het vuurpeloton.

Veendam telde na de bevrijding zestien militairen die als gevolg van oorlogsgeweld het leven hadden gelaten. Op 27 juni 1945 stuurde het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Veendam een brief aan de nabestaanden van zes gefusilleerde verzetsstrijders: Jakob Bruggema, Eduard Eugen Stolper, Anton Gerrit Swart, Pieter Sneeuw, Jurjen Geert Pinkster en Jochum Kazemier. Het College had het plan de nagedachtenis van hun geliefden te eren door een straat naar hem te vernoemen Alle families gaven hun toestemming en op 10 juli werd dit voornemen bekrachtigd. De Parklaan heet voortaan E.E. Stolper-laan.

Drie jaar later op 13 oktober 1948 werd in het Julianapark in Veendam een monument onthuld van architect ir. Marius Frans Duintjer. Het is een kruisvormige obelisk, bekroond door gebeeldhouwde vlammen, met in het midden een plaquette waarop de namen van ge-sneuvelde Nederlandse militairen en gefusilleerde verzetsstrijders staan vermeld.

Hoofdcommando en plaatselijke commando´s verzetsgroep Oostelijk-Groningen. Bron: Archief Veenkoloniaal museum Veendam.
Eerste rij zittend v.l.n.r.: Abel Wieske, procuratiehouder strokartonfabriek Union te Oude Pekela. Jan Klok, ma-nufacturier te Oude Pekela. Derk Jan Wever, notaris te Nieuwe Pekela. Dr. J.H. Hommes, chirurg ziekenhuis te Winschoten. Binnert de Haan te Oude Pekela en later burgemeester van Sauwerd. Ds. Van der Veen, predikant Evangelische Gemeente Oude Pekela. Dhr. Schothorst, politieagent te Oude Pekela en Jacob Wieske, schilder/ drogist te Nieuwe Pekela. Tweede rij v.l.n.r. opperwachtmeester H.J. Blank, Verbaas, onbekend, G. Migchels, Ds. Greeven, K. de Grooth, Cor van der Net, drogist te Winschoten, Dhr. Dijkstra, politieagent te Heiligerlee. Derde rij v.l.n.r. B. Wiersema, S.M. Krone, Van Eek (?) en G. Kwant. Bovenste rij: portretten van omgekomen verzets-mensen v.l.n.r.: A. Woude, C. Wiegers, E. de Lange, marechaussee te Winschoten, Dhr. Rozema, politieagent te Winschoten. Ds. Bastiaan Jan Ader, Ned. Hervormd predikant te Drieborg / Nieuw Beerta vanaf 2 oktober 1938 (geboren te ´s Gravenzande op 30 december 1909 en gefusilleerd op 20 november 1944 te Veenendaal). Jo-chem Kazemier te Veendam. Klaas S. Pomp. Edward Stolper, had een zaak in galanterieën in de Kerkstraat te Veendam.

Ergens in 1945 lieten het hoofdcommando en de plaatselijke commando’s als herinnering een foto van henzelf maken. In drie rijen dik zitten en staan de oud-verzetsstrijders afgebeeld voor een haag. De foto’s van de acht gesneuvelde OD-commandanten vormen de bovenste rand van de foto, die daardoor erg doet denken aan de familiefoto’s uit of na de Eer-ste Wereldoorlog waarbij de nabestaanden de foto van de gesneuvelde vasthielden of op een bijgeplaatst tafeltje hadden gezet.

Op vrijdag 26 oktober 1945 stond in de Provinciale Drentsche en Asser courant het bericht dat de provincie Groningen een week later zijn verzetsmannen wilde herdenken. Voor het eerst konden de lezers de namen van alle 36 gefusilleerden van september en oktober 1944 lezen. Het voormalige illegale dagblad Trouw bracht op Allerzielen een speciaal rouwnummer uit, waarin de foto’s van de gefusilleerden stonden afgedrukt.


Trouw, 1 november 1945

De opbrengst kwam ten goede aan de bekostiging van dat gedenkteken en abonnees werden opgeroepen daarvoor geld te schenken.

In de ochtend van 2 november 1945 begaf een grote zwijgende menigte zich naar het Pro-vinciehuis in Groningen. In de hal stond een zwarte urn, symbool voor de stoffelijke resten van de 45 slachtoffers van het nazigeweld, opgesteld te midden van een zee van bloemen. Om twaalf uur begon de rouwdienst in de Martinikerk op de Grote Markt. Na Ases Tod van de Noorse componist Edvard Grieg volgden toespraken van mr. E.H. Ebels (1889-1970), de Commissaris der Koningin en een medeverzetsstrijder, waarna de dienst met de treurmars uit de derde symfonie van Ludwig von Beethoven besloten werd. Beelden van de plechtigheid zijn te zien op een film bij Filmbank Groningen. (https://www.filmbankgroningen.nl/archief/av7177/?q=esserveld)


Het monument op begraafplaats Esserveld Groningen. (Bron: https://www.4en5mei.nl/oorlogsmonumenten/)

Vier wagens met bloemen escorteerden de lijkwagen, die vervolgens koers zette naar de begraafplaats Esserveld, waar de urn ten grave gedragen werd. Op 4 mei 1948 werd het oorlogsmonument van de Groningse beeldhouwer Willem Valk (1898-1977) onthuld. Op de zandstenen U-vormige muur in vak S staan de namen van 43 verzetsstrijders (op twee stenen staat geen naam) gebeiteld, Eduard Eugen Stolper is één van hen.

De naam van Eduard Stolper op het monument. Bron: https://oorlogsgravenstichting.nl/.


Vermelding Eduard Stolper in Erelijst Gevallenen 1940-1945. (Bron: https://www.erelijst.nl/.)

Naoorlogse processen

Na de oorlog werden in het kader van de bijzondere rechtspleging in Nederland bijzondere gerechtshoven opgericht om oorlogsmisdadigers en collaborateurs te berechten. Het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden had drie strafkamers: een Friese, een Groninger en een Drentse Kamer. De zittingen in Groningen werden gehouden in de rechtszaal van de Arrondissementsrechtbank in de Oude Boterstraat. In de jaren 1945 tot en met 1949 verschenen de beulen van het Scholtenhuis voor hun rechters.

Eind 1948 moesten de SD’ers Evert Cornelis Drost en Haijo van der Schoor zich voor de rechter verantwoorden. Beiden waren betrokken bij de arrestatie van Eduard Stolper in Veendam. De tenlastelegging op 11 oktober 1948 tegen de tweeënveertigjarige Drost, een voormalige onderluitenant van de politie, die sinds 1928 in Zeist werkzaam was, omvatte tien punten waaronder mishandelingen van gearresteerde verzetsstrijders, arrestaties van Joodse en andere Nederlanders en een groot aantal moorden met voorbedachten rade. Een viertal wegens illegale activiteiten gearresteerde Nederlanders (Albert Smid, ds. Wouter Albert Krijger, Jelle Bruinsma en S. Visser) mishandelde hij tot bloedens toe. Voor hij bij de SD in Groningen werd gedetacheerd, arresteerde Drost veertien Joden en leverde hen uit aan de SD. Daaraan dankte hij zijn bijnaam ‘De schrik van Zeist’, die in Groningen werd veranderd ‘De schrik van het noorden’. In Veendam, Wildervank en Winschoten was hij aanwezig bij verschillende arrestaties, niet alleen die van Stolper cum suis, in april 1945 was hij ook ver-antwoordelijk voor het oppakken van assuradeur Jurjen Geert Pinkster, eveneens uit Veendam. De meeste slachtoffers werden later gefusilleerd, een enkeling bleef tot aan de bevrijding opgesloten. Op 7 april 1945 werden in Makkum zes Nederlanders (Fetze Elgersma, Hermanus Falkena, Hendrik Th. Lemsen, Hobbes Dijkstra, Jacobus P. Heller en Sjoerd Adema) door een vuurpeloton onder leiding van de Sneker SD-commandant Ströbel, waarvan ook Drost deel uitmaakte, geëxecuteerd. En deze feiten vormden slechts het topje van de ijsberg.

De advocaat-fiscaal (nu: officier van justitie) jhr. Mr. A.H.S. van der Wijck eiste dezelfde dag de doodstraf tegen Drost, die veertien dagen later ook werd bekrachtigd. Op 28 juli 1949 werd hij terecht gesteld op het terrein van de voormalige kazerne aan de Hereweg in Groningen. Hij werd begraven op de Tweede Noodbegraafplaats van de gemeentelijke begraafplaats Selwerderhof te Groningen.

De rechtszaak tegen de vijfenveertigjarige grossier in groenten en fruit Haijo van der Schoor uit Groningen begon ruim twee weken later, op 8 november 1948. Van der Schoor werd in 1943 chauffeur bij de SD in de hoop zo te ontkomen aan de arbeidsinzet in Duitsland. Hij reed meermalen arrestanten naar het Scholtenhuis of van daaruit zijn collega’s van afdelingen IVa-b naar adressen, waar goede Nederlanders werden vermoord of geëxecuteerd. Zo was hij, naast de moord op H. Heine uit Groningen, op 1 januari 1944, als chauffeur betrokken op de moord op Dirk Bos (1886-1944), stationschef in Haren, die na de aanslag van het verzet op de fanatieke NSB’er Anne Jannes Elzinga, politiechef in Groningen, wegens zijn anti-Duitse houding op de Silbertanne-lijst was geplaatst. Voorts vervoerde hij gevangenen naar Anloo (7 op 8 april 1945), Norg (8 april 1945) en Bakkeveen (10 april 1945) waar execu-tiepelotons hen opwachtten. Tegen hem werd veertien jaar met aftrek en levenslange ont-zegging van het kiesrecht geëist. Het Hof legde hem twaalf jaar met dezelfde voorwaarden op.

Ook leden van het executiepeloton moesten na de oorlog verantwoording afleggen voor hun misdaden. Wegens arrestatie van Joden en mishandelingen van onder meer Joodse gevangenen werd Stöwsand na een eis van acht jaar door het Bijzonder Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot vijf jaar en op 16 juni 1949 naar Duitsland uitgezet. Daar-door was het voor de Noord-Nederlandse justitie waarschijnlijk onmogelijk om hem ook nog ter verantwoording op te roepen. En daar was wel alle reden toe geweest. Zo gaf hij als leider van het executiepeloton op 8 april 1945 in Oosterduinen (gemeente Norg) het bevel om te vuren, waarbij de negenentwintigjarige Wildervanker Jan Kamminga en zeven andere verzetslieden de dood vonden.

Oberscharführer Ernst Paul Jendgens kwam pas op 6 februari 1950 voor de rechter waar hij zich moest zich verantwoorden voor de moorden in de nacht van 31 maart op 1 april 1945 en de fusillade in Anloo een week later. In het kader van een zogenaamde Silbertanne-actie op 13 november 1943 vermoordde hij Cornelis Belliga. Na een aanslag op NSB’er en SD-informant Pier Nobach, waarbij diens zoon abusievelijk werd doodgeschoten, werd een lijst opgemaakt waarop ook deze kruidenier en verzetsman uit Niekerk (Groningen) stond. Omdat hij weigerde mee te gaan met de SD schoot Jendgens hem in zijn slaapkamer dood. Net als vele andere beschuldigde Duitsers schoof hij de schuld op een ander, maar werd na een eis van achttien jaar tot twaalf jaar veroordeeld. Op 25 mei 1957 werd hij uitgezet, vermoedelijk naar West-Duitsland. Joseph Adam, afkomstig uit Kenzingen in Baden-Württemberg, verklaarde tijdens zijn detentie in de Groningse strafge-vangenis dat hij sinds 20 september 1943 in Groningen actief was en twee keer (25 septem-ber en 12 oktober 1944) deel uitmaakte van een executiepeloton. Tot welke straf hij werd veroordeeld is niet bekend.
Voor het leiden van diverse executiepelotons in Westerbork kreeg de zesenveertigjarige Oberleutnant der Schutzpolizei Martin Schmidt in 1949 een eis van tien jaar te horen, die werd omgezet in zeven jaar hechtenis, omdat hij in opdracht handelde van majoor Heinrich Waschke, de leider van de Ordnungspolizei in het noorden. Schmidt was niet alleen betrokken bij de executies in Westerbork van 12 en 28 oktober 1944, waarbij respectievelijk zeventien en zeven mensen werden gefusilleerd. Op 8 december 1944 leidde hij de executie bij Marum waarbij Ruud Geert Torenbeek, Bernardus ter Horst, Albert van de Grijspaarde, Jan Jensema en Jelle Hempenius de dood vonden. Bij zijn verdediging vertelde hij de rechter dat hij er niet aan twijfelde dat deze mensen op een wettige wijze waren veroordeeld. Als nasleep van de arrestaties van Adriaan Veen, Miente Viersen en Derk ter Veld op 20 oktober 1944 was Schmidt betrokken bij de moordpartij in het gehucht De Haspel, waarbij drie man-nen, onder wie de zestienjarige Ritse Vos werden doodgeschoten. Een vierde slachtoffer, J.F. Boschker kon ontsnappen en getuigde voor de rechtbank dat Schmidt wel degelijk had ge-schoten, maar weer volgde een ontkenning. En tenslotte was hij ook aanwezig bij de executie in Norg op 8 april 1945. Schmidt ontkende het vuurbevel te hebben gegeven, in zijn herinnering was hij slechts belast met de bewaking van de arrestanten en de afzetting van het terrein. De Nederlandse SD’er Klaas Carel Faber, lid van het vuurpeloton, verklaarde echter, dat Schmidt zelf had geschoten, wat door hem zoals gebruikelijk werd ontkend.

De beide advocaten mr. S.P. Redeker en mr. H.W.M.J. Rademaker, die de arrestaties van de leden van de OD in gang hadden gezet, kwamen op 13 respectievelijk 14 oktober 1947 voor de rechter. Redeker werd schuldig bevonden aan de dood van Kriegsman en twee andere verzetsstrijders en werd veroordeeld tot twaalf jaar gevangenis met ontzegging van het kiesrecht en een levenslang beroepsverbod. Redeker accepteerde het vonnis en ging niet in cassatie. In zijn oordeel hield de president van de rechtbank jhr. mr. W.W. Feith rekening met de goede diensten die hij ten tijde van zijn lidmaatschap van de OD aan goede Nederlanders had bewezen. Tegen Rademaker werd twintig jaar geëist met aftrek van voorarrest en ontzegging van actief en passief kiesrecht. Hoewel de strafeis van Van der Wijck in beide processen gelijk was, bracht hij toch een nuance aan: ‘Redeker deed ernstige dingen, maar van hem hebben we alles gezien, wat hij heeft gedaan. Maar wat deze verdachte (Rademaker, AvdL) ten laste gelegd is, is misschien nog niet het tiende deel van wat hij heeft gedaan.’ Hij werd in februari 1948 tot achttien jaar veroordeeld.

Op 16 mei 1949 begon het proces tegen de SD’er Robert Wilhelm Lehnhoff, die tijdens de oorlog bekend stond als de ‘Beul van het Scholtenhuis’. De tenlastelegging was een lange lijst met tientallen Silbertanne-moorden, opdrachten tot executies in Anloo en Bakkeveen (8 resp. 10 april 1944) en het toebrengen van zware, wrede mishandelingen. 75 Getuigen werden gehoord die het hof vertelden over de 28 verzetsmensen die Lehnhoff eigenhandig zou hebben vermoord of opdracht daartoe hebben gegeven. Tijdens zijn proces vertelde Lehnhoff dat hij nooit op eigen initiatief gehandeld had, maar altijd de bevelen van zijn chef Bernard Georg Haase, hoofd van de Aussendienststelle van de Sipo en de SD in Groningen, had uitgevoerd. Maar meerdere getuigen en ook gedetineerde SD’ers verklaarden echter dat Lehnhoff bewust zijn meerdere buiten acties gehouden had, zodat hij zelf op de achtergrond de touwtjes in handen kon houden.

Advocaat-fiscaal Baron van Tuyll van Serooskerken betitelde Lehnhoff als de ‘personificatie van de Duitse terreur in het Noorden’. En hij vervolgde: ‘Wij kunnen in Lehnhoff niet een werktuig zien van een misdadig regiem. Integendeel, het regiem was mogelijk, omdat er Lehnhoffs waren die het steunden’. Het vonnis van het gerechtshof luidde: doodstraf. Lehnhoff ging tegen het vonnis in beroep. Hij achtte het een volkenrechtelijke dwaling dat hij buiten Duitsland door een vreemde mogendheid veroordeeld was. Op 16 januari diende zijn cassatie. Op 20 maart volgde de uitspraak, hij kreeg wederom de doodstraf. Op 25 juli 1950 wees koningin Juliana Lehnhoffs gratieverzoek af en twee dagen later werd hij om kwart over vier in de ochtend gefusilleerd. Hij werd begraven op de R.K.-begraafplaats aan de Herenweg (Groningen).

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.