Op 19 mei 1944 worden 245 Sinti en Roma vanuit kamp Westerbork naar het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau gedeporteerd. Slechts 31 overleven de oorlog.

Settela Steinbach

Eén van de slachtoffers is Settela Steinbach. Settela wordt geboren in 1934 in Born. Met haar negen broertjes en zusjes reist ze in haar jeugd door het Limburgse land. Een van de vaste standplaatsen van de familie Steinbach is Susteren. Aan de Baakhoverweg, in het talud van de weg, naast de boomgaard van “de Zeute”, staan de woonwagens van het gezin opgesteld. Buurtbewoners herinneren zich dat de kinderen van de Steinbachs met regelmaat om water kwamen vragen. Op zomeravonden konden ze in het dorp de melodieuze klanken van de violen van de familie horen.

In 1943 trekt de familie Steinbach naar het bekende woonwagenkamp ‘De Zwaaikom’ in Eindhoven. Het kamp, aangelegd in 1929, is na het trekverbod in de zomer van 1943 door de overheid aangewezen als één van de centrale kampen voor Sinti en Roma en woonwagenbewoners.

Op dinsdagmorgen 16 mei 1944 worden Settela en haar familie in alle vroegte door gebonk op de woonwagen en geschreeuw wakker gemaakt. Een razzia. De politieagenten en landwachters die de razzia uitvoeren, hebben een lijst bij zich van de ‘zigeuners’ die in het woonwagenkamp verblijven. Uiteindelijk worden er 21 het kamp uitgedreven (via het politiebureau) naar het station van Eindhoven. Vooral vrouwen en kinderen: een deel van de mannen is al een week eerder opgepakt en naar kamp Amersfoort gebracht. Zo ook de vader van Settela.

Op het Centraal Station moet Settela met de andere opgepakte Sinti en Roma in een personentrein stappen die eerst naar Den Bosch rijdt – waar nog eens 51 personen worden toegevoegd – en daarna aan een rit naar het noorden beginnen. Omstreeks vier uur ’s middags komt in kamp Westerbork een einde aan de reis. Drie dagen later volgt deportatie naar Auschwitz-Birkenau waar Settela begin augustus 1944 in de gaskamer om het leven wordt gebracht.

Dezelfde dag gefilmd?

De wagon met Settela had ‘verticale planken’. Dit in tegenstelling tot de meeste andere treinwagons van het transport van 19 mei, waarbij de planken ‘horizontaal’ waren aangebracht. Bij de RVD werd door Gerard Rossing en Koert Broersma de Westerborkfilm onderzocht op de vraag of de gefilmde wagon met het meisje en de ‘verticale’ planken in het lange lint van de trein was te ontdekken. Het meisje stond in een wagon waarvan op de deur met krijt het aantal mensen (‘74 pers.’) was gekalkt dat zich hierin bevond. Hierboven was, eveneens met krijt, het nummer van de wagon aangegeven: een l, met daarnaast de ‘buik’ van wat een 0, een 6 of een 8 zou kunnen zijn: wagon 10, 16 of 18. Om verschillende redenen stond vast dat de wagon met nummer 10 niet in aanmerking kwam. De aandacht was daarom vooral gericht op wagon 16. Na lang zoeken werd in de wegrijdende trein wagon 15 op het filmschermpje ontdekt. De film werd vanaf dit cruciale punt beeldje-voor-beeldje onderzocht.

De volgende wagon was er één met ‘verticale’ planken. Het nummer 16 viel met enige moeite te ontcijferen. Ook de aanduiding ’74 pers.’ was zichtbaar, met authentieke krijtletters, net zoals op het fragment met het meisje. Zelfs de dikke krijtpunt achter ‘Pers.’ Was herkenbaar. Een belangrijk verschil met de oorspronkelijke tekst vormde de correctie die er doorheen was gekalkt. De 4 was doorgehaald en er was een 5 van gemaakt. Naast het wagonnummer 16 stond nu het getal 75 geschreven. Na de filmopnamen door Breslauer werd er aan de groep in deze wagon nog één persoon toegevoegd. Diverse malen werden deze beelden nogmaals bekeken en gecontroleerd. Daarbij bleken er ook andere overeenkomsten te zijn. De eindconclusie luidde dat de wagon van Settela nummer 16 had en deel uitmaakte van het transport dat op 19 mei door Breslauer werd gefilmd. 

Lang blijft Settela een van de vele onbekende slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Tot de Haagse journalist Aad Wagenaar begin jaren negentig onderzoek doet naar de Westerborkfilm, een film opgenomen in het voorjaar van 1944 door de Joodse kampgevangene Rudolf Breslauer op bevel van commandant Albert Konrad Gemmeker. Wagenaar wil de de identiteit van “het meisje tussen de wagondeur”, een shot uit het beroemdste gedeelte van de film (een vertrekkend transport uit kamp Westerbork) achterhalen. Tot dan toe is altijd gedacht dat zij een Joods meisje moet zijn.

Simultaan aan het onderzoek van Wagenaar zijn twee medewerkers van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, Koert Broersma en Gerard Rossing, bezig met hun eigen onderzoek naar de Westerborkfilm. Door het bekijken van de sporen van de film weten Rossing en Broersma de datum van de opname vast te stellen. Uit nauwkeurige analyse van het beeldmateriaal blijkt dat het niet gaat om een Joods transport, maar om het zogeheten ‘Zigeunertransport’ van 19 mei 1944.

Het meisje in de wagondeur moet dus een ‘zigeunermeisje’ zijn, beseft ook Wagenaar zich. Hij gaat op verschillende woonwagenkampen in Nederland op zoek naar haar naam. Al bij de eerste stop in Spijkenisse volgt het antwoord als hij een overlevende van het ‘Zigeunertransport’ ontmoet.

‘Het tolt in mijn kop. Kan dat waar zijn: een maandagmiddag in Spijkenisse, nog geen tien minuten binnen bij de eerste overlevende van het zigeunertransport uit Westerbork die ik gevonden heb ‑ en het meisje dat wereldwijd haast een halve eeuw lang als het anonieme slachtoffer van de deportaties gold, heeft gelijk haar naam weer?

“Settela!”, roept ze. “Dát was haar naam: Settela! Dat schreeuwde die moeder: ‘Settela, ga bij die deur weg, straks komt je kop er nog tussen!’ Settela!”

Settela Steinbach ‑ het is maandagmiddag 7 februari 1993, vijf minuten over vier. Het meisje heeft haar naam terug.’

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.