Aron Nunes Vaz en Pauline Nunes Vaz-Stranders

In de provincie Friesland, vooral in het Zuidwesten, was tijdens de oorlog een relatief groot aantal Joodse onderduikers ondergebracht. In 2007 werd een cartotheek ontdekt met gegevens over een aantal onderduikers in deze regio. Deze cartotheek wordt momenteel bewaard in het archief van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Leerlingen van het Marne College in Bolsward deden onderzoek naar onderduikers en onderduikgevenden.

Aron Nunes Vaz en Pauline Nunes Vaz-Stranders

Voornaam
Aron
Achternaam
Nunes Vaz
Geboortedatum
12 januari 1907
Geboorteplaats
Amsterdam
Sterfdatum
11 juni 1977
Sterfplaats
Amsterdam

Aron Nunes Vaz (12 januari 1907) was voor de oorlog magazijnbediende. In 1940 kreeg hij een oproep voor militaire dienst. Tijdens de oorlog kwam hij in kamp Amersfoort waar hij moest wachtlopen. Al snel piepte hij er tussenuit, hij pakte de eerste de beste fiets die hij tegenkwam om zo snel mogelijk terug te gaan naar Amsterdam, waar zijn vriendin Pauline Stranders (18-04-1910) woonde. Aron en Pauline besloten om zo snel mogelijk te trouwen. Het kon niet meer via de officiele weg, maar wel in het ouderlijk huis. Het werd een eenvoudige trouwerij, maar wel ingezegend door een rabbijn. 

Er kwamen vanaf 1942 oproepen voor Joden om zich te melden voor werk in werkkampen het Oosten. Aron vertrouwde dit niet. Hij was vastbesloten om niet op de oproep in te gaan. Door de vele razzia’s die in Amsterdam werden gehouden in de loop van de oorlog, was het een benauwde periode voor de Joden die daar woonden. Eén keer konden Aron en Pauline maar net ontsnappen. Via verschillende connecties kwamen ze aan het adres van een boer. In 1942 vertrokken ze naar deze boerderij. De algemene reden die werd opgegeven voor dit plotselinge vertrek was dat Pauline ‘overspannen’ was geraakt en er even tussenuit moest.

Na een paar weken moesten ze op zoek naar een ander adres om te schuilen omdat de vrouw van de boer toch liever geen onderduikers had vanwege de risico’s. Ze kwamen in het oosten van het land terecht bij een zeer arm boerenstel. Ze waren net uit hun plaggenhut vertrokken naar een iets beter onderkomen. Toch waren ze bereid om onderdak te verlenen aan Aron en Pauline. Ze voelden zich hier erg op hun gemak en konden zich prima vermaken. Aron hielp de boer op het land, terwijl Pauline zich nuttig maakte in het huishouden.

Ze kwamen in het oosten van het land terecht bij een zeer arm boerenstel. Ze waren net uit hun plaggenhut vertrokken naar een iets beter onderkomen.

Onfortuinlijk genoeg kwam er na negen maanden een abrupt einde aan het verblijf. Op een regenachtige, donkere avond werd er plots op het raam getikt, een man kwam een spoedbericht brengen. Verraad! Ze moesten als de wiedeweerga vertrekken. Geen tijd om na te denken, maar vluchten! Ze vertrokken richting het westen. Door het bos in de stromende regen en zelfs nog even achterna gezeten door honden van de Duitsers. Uiteindelijk kwamen ze terecht bij een gezin op een zolderkamer in Amsterdam-Noord. Ook hier konden ze niet lang blijven en kort daarna vertrokken ze naar een nieuw adres.

De achternaam van Aron en Pauline werd veranderd in Van Nunen en Pauline’s haar werd geblondeerd. Ze gingen met een trein die toevallig vol zat met Duitse militairen en officieren naar Friesland. Aron maakte zelfs nog even een praatje met de militairen. ‘Dan valt het minder op’, vond hij. In Bolsward aangekomen kwamen ze in eerste instantie bij ‘Moeke’ Langenberg aan de Van Munnickhuizenstraat 10. De broer van Aron was daar al met zijn vrouw. Ze sliepen met z’n vieren in een kleine kruipruimte, onder een luik dat in de vloer van de huiskamer zat. Het was een klein verblijf, donker, vochtig en de onderduikers zaten erg dicht bij elkaar op de huid.

Overdag werkten ze op zolder: wol spinnen en kantklossen. Door de vele spanningen die ontstonden tussen de stellen, besloten Aron en Pauline om een ander adres te zoeken in Bolsward. Zo kwamen ze bij de familie Rooda aan de Looiergracht 5. Tot het einde van de oorlog zijn ze daar geweest. Eten werd geregeld door de ondergrondse door middel van valse bonnen of het vlees van ‘noodslachtingen’. Op een keer werd er door een Duitser op de deur gebonkt. Pauline deed open. ‘Zijn hier nog Joden in huis?’, schreeuwde de Duitser. ‘Nee’, zei Pauline, ‘ga maar kijken. Wil je een gehaktballetje?’ Daarop vertrok hij weer.

Na de bevrijding, in april 1945, vertrokken Aron en Pauline richting Amsterdam. Hun bezittingen die ze hadden achtergelaten bij ‘bekenden’ bleken door deze mensen gewoon in gebruik genomen te zijn. Zij waren ervan uitgegaan dat Aron en Pauline de oorlog niet overleefd hadden. Bijna alle familieleden bleken te zijn omgekomen. Na de oorlog kregen ze twee kinderen.

In 2008 hadden de leerlingen die dit portret maakten contact met Thijs Rooda, zoon van de familie die Aron en Pauline in huis namen. Thijs was de middelste van de drie broertjes. Lammert was 7, Fedde 3 en hijzelf 5 jaar oud. Thijs weet dat zijn ouders geen moment getwijfeld hebben over het opnemen van onderduikers in hun huis.

Zoon Thijs vertelt  dat ‘oom Ab en tante Paula’ voelden als eigen familie. Oom Ab bracht de jongetjes bijna elke dag naar bed en zong dan een zelfgemaakt liedje. Thijs weet het nog: “Lammert, Thijs en kleine Fedde Die gaan slapen en naar bedde. Maar eerst nog even voor de grap paardje rijden bij oom Ab.”

Thijs Rooda vertelt verder:
“Ab en Paula konden dus niet zomaar het huis uit omdat dit een zeker risico met zich meebracht. Toch moest er een manier gevonden worden om de tijd te verdrijven.
Paula was veel bezig met de huishoudelijke klusjes, ze kookte bijna altijd voor het hele gezin, ze kon dit zo goed dat ook niemand het erg vond dat ze het deed. Ook was ze veel te vinden op het spinnewiel die in het kamertje waar ze verbleven stond.
Ab was geen roker, maar toch zag je hem wel eens bezig met het snijden van tabak bladeren die achter in de tuin werden verbouwd. Vader Lammert was een fanatiek roker, tabak was een product waar in die tijd moeilijk aan te komen was, dus besloot hij maar om het zelf te gaan verbouwen. De bladeren die bruin werden moesten geplukt worden door de kinderen om vervolgens op zolder op te hangen zodat ze gedroogd werden. Na het drogen konden ze gesneden worden. Blaadjes van de bijbel werden gebruikt als vloei.

Na de oorlog zijn ze ongeveer nog een half jaar bij familie Rooda gebleven. Toen ze weg gingen had Paula aan mevrouw Rooda beloofd dat zij als baakster zou optreden als het verwachte vierde kind zou komen. Ze kwam als beloofd ook meteen opdagen toen bekend was dat de jongste van het gezin geboren was.”

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.