Sal Kimel & Lea, Ab en Marco Reiner

Hans Piek schreef een indrukwekkend portret over Sal Kimel, een Joodse tiener die aan het einde van de oorlog met zijn tante Lea en twee neefjes Ab en Marco in Westerbork terecht kwam. Na de oorlog emigreerden Sal, Lea, Ab en Marco naar het pas opgerichte Israël.

Sal Kimel & Lea, Ab en Marco Reiner

Voornaam
Salo
Achternaam
Kimmel
Geboortedatum
16 oktober 1928
Geboorteplaats
Berlijn

Op 12 april 1945 werden Sal Kimmel, Lea, Abraham en Marco Reiner bevrijd in kamp Westerbork. Dit verhaal gaat over hen, maar ook over hun familieleden, over meerdere gezinnen. Dit zijn de gezinnen die in het verhaal regelmatig voorkomen:

Gitel Cohn-Goldberg, haar man Abraham Cohn en hun zoon Artur;

Eva Kimel-Goldberg, en haar zoon Sal Kimel;

Lea Reiner-Goldberg, haar man Szaja Reiner en hun zonen Abraham en Marco;

Reizel Obstfeld-Reiner, zus van Szaja Reiner, haar man Jozef Obstfeld en hun zonen Marco en Jacques;

Adolf Obstfeld, zijn vrouw Tilla Obstfeld-Schnitzer en hun zoon Jozef Arjé.

Eva, Gitel en Lea waren zussen.

Het verhaal

Een klaslokaal met een aantal zeventig plussers. Vooraan zitten naast elkaar Sal Kimel en Ab Reiner. Neven van elkaar, hun moeders waren zussen. Het is de setting van een aflevering van het tv-programma ‘De klas van’. Deze keer staat een groep mensen die op diverse scholen met Anne Frank in de klas gezeten hebben centraal. De gasten vertellen over hun jeugd, hun leven; ze zijn allemaal overlevende.

Sal en Ab overleefden omdat ze konden onderduiken en toen ze toch opgepakt werden in kamp Westerbork de bevrijding van dat kamp op 12 april 1945 meemaakten. Dit verhaal gaat over Sal en Ab, Marco, de broer van Ab, en de moeder van Ab en Marco, Lea Reiner Goldberg.

Het is ook een verhaal over Poolse Joden die begin 20e eeuw uit Polen vertrokken, deels vanwege werk, maar zeker ook omdat antisemitisme in dat land grote vormen aannam. De Poolse Joden die vertrokken gingen meerdere kanten op: Oostenrijk, Frankrijk, Duitsland, Nederland. Om daar tien tot twintig jaar later weer met de dood bedreigd te worden, nadat Duitsland grote delen van Europa had bezet. In dit verhaal komt ook de familie Obstfeld voor, ook Poolse Joden, ook, de een na de ander, uit Polen vertrokken. Een paar leden van deze familie zouden van levensbelang zijn voor Sal en Ab. Omdat zowel Sal als Ab geïnterviewd zijn en Marco niet komen de eerste twee vaker in dit portret voor dan Marco.

Sal werd in 1928 in Berlijn geboren, Ab in 1929 in Amsterdam. Marco, die eigenlijk Marcus heette, in 1932, ook in Amsterdam.

De moeders van Sal, Ab en Marco, Eva en Lea Goldberg, waren zussen en geboren in Polen. Ze hadden nog twee zussen, Erna en Gitel die ook wel Gusta werd genoemd.

Van deze vier zussen zou alleen Lea de oorlog overleven.

Lea, geboren in Krakau in 1903, kwam in 1928 van Krakau naar Nederland; ze trouwde op 21 juni van dat jaar met Szaja Reiner, geboren in Krakau in 1897, die sinds november 1926 in Amsterdam woonde. Hij kwam via Straatsburg in Amsterdam terecht. Net als veel andere emigranten woonde hij in eerste instantie in een pension in Amsterdam, Prinsengracht 470. Mogelijk kenden ze elkaar al uit de tijd dat ze in Krakau woonden, misschien zijn ze door wederzijdse familie met elkaar in contact gekomen.

Szaja zus, Reizel Reiner, en Jozef Obstfeld, haar echtgenoot, woonden toen met hun zoon Marcus al in Amsterdam, Prinsengracht 440. Later kwamen ze ook naar Prinsengracht 470. Het is een mooi voorbeeld van hoe die emigratie plaats vond. Van de familie Obstfeld kwamen vijf broers, twee zussen en hun vader tussen 1916 en 1927 soms via een andere stad, soms direct, vanuit Polen naar Amsterdam. Een aantal van hen woonde kort of wat langer ook op het adres Prinsengracht 470. Na verloop van tijd vonden ze dan een woning in Amsterdam.

Eva Goldberg was officieel getrouwd met Felix Kimel, vermoedelijk in Berlijn. Ook Felix kwam uit Polen. Het huwelijk tussen Eva en Felix, die in 1929 een zoon kregen, Sal, was dusdanig dat Eva met Sal in 1930 naar Amsterdam verhuisde. Ze trokken bij Lea en Szaja in, die woonden inmiddels op het adres Lutmastraat 15. Daar woonden tot begin 1928 Jozef en Reizel Obstfeld met hun zonen Marcus en Jacques. Het huis werd als het ware doorgegeven.

Sal herinnerde zich later eigenlijk niets van zijn vader die nog wel een keer in Amsterdam is geweest. Hij zegt in een interview met Guido Abuys, conservator van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork : ‘... weet helemaal niet hoe hij er uit ziet... ben een beetje daardoor gepikeerd uiteraard, want een kind is toch iets anders, ook als je met je vrouw niet kunt leven. Maar ik heb me ermee verzoend.’

Eva Kimel, geboren in 1893, trok dus met haar zoon Sal bij haar tien jaar jongere zus Lea en haar man Szaja Reiner in.

Die hadden in 1929 hun eerste zoon, Abraham (Ab), gekregen. Sal hierover: ‘... wat een opofferingsgezindheid dat geweest moet zijn om als onvermogende jonge mensen met een klein kind, wonende in een vreemd land, plotseling een zuster – dus een schoonzuster was dat voor mijn oom – in huis te nemen.’

Eva was modiste, naaister. Ze maakte hoeden, thuis en ook bij anderen. Volgens Ab Reiner, ook geïnterviewd door Guido Abuys, begonnen Szaja Reiner en Jozef Obstfeld samen een pantoffelfabriek aan de Uilenburgerstraat. Dit was de ‘Rijnco’, het bedrijf zat in het pand van diamantslijperij Boas. In 1940 had Rijnco zo’n 150 werknemers in dienst. De vader en een broer van Jozef, Selig en Abraham, hadden ook een pantoffelfabriek in Amsterdam, aan de Eerste Oosterparkstraat.

De derde zus Goldberg, Gitel (Krakau 1896) was getrouwd met Abraham Cohn. Die kwam in 1927 naar Amsterdam, woonde kort bij Jozef Obstfeld op de Lutmatraat 15 en bleef daar toen Szaja Reiner in 1928 hoofdbewoner werd. Gitel en Abraham hadden een zoontje, Artur, dat in 1924 geboren was. Abraham was schoenmaker. Gitel kwam in 1929 ook naar Amsterdam, vermoedelijk met Artur. Al gauw woonden ze aan de Cornelis Trooststraat 27 I.

Een vierde zus, Erna, geboren in 1910, bleef zeer waarschijnlijk in Krakau.

Szaja en Lea verhuisden in 1932 met hun zonen Ab en Marco, geboren in februari van dat jaar, naar de Zuider Amstellaan 37 II. (nu Rooseveltlaan) en in 1933 kwam Eva met zoon Sal ook op dit adres wonen.

Sal en Ab, nagenoeg even oud, groeiden op als broers en gingen tegelijk naar de eerste klas van de lagere school. Dat moet de 6e Montessorischool in de Nierstraat geweest zijn. Hier zaten Sal en Ab bij Anne Frank in de klas. Als Sal gevraagd wordt wat voor kind hij was vertelt hij dat hij lief was en werd ‘gezien’ in zijn klas. Anne Frank schrijft dat ook in haar dagboek. 

Hij vertelt ook dat hij veel las, een boek per week, en een abonnement bij de bibliotheek had. De bibliothecaresse betwijfelde blijkbaar of hij wel alles las en overhoorde hem de inhoud van één van de geleende boeken. Hij kon het feilloos navertellen. Verder was hij naar eigen zeggen leergierig, eigenwijs en niet erg sportief, al voetbalde hij wel. Ab vult dat aan met de opmerking dat ze al voetballend, de bal overspelend, naar school liepen. Over de vioollessen die hij kreeg tussen zijn tiende en twaalfde jaar zegt Sal: ‘Die lieten niets achter.’

Op de vraag of religie een rol speelde vertelt Sal in het interview dat ze kosher ‘light’ aten, naar de sjoel gingen en een privéleraar hadden voor Joodse les. ‘Maar verder waren we niet zo vroom, we waren “Joods bewust”‘, zegt hij.

Vanaf 1933, na de machtsgreep van Hitler, kwamen er Joodse vluchtelingen naar Amsterdam. Lea Reiner probeerde hulp te verlenen. Zo was ze contactpersoon voor een organisatie die om geld op te halen voor de vluchtelingen een bridgeavond in het Carlton organiseerde.

Ook namen ze in 1939 een gevlucht Duits-Joods echtpaar in huis, Richard en Meta Schlesinger. Het echtpaar was in 1939 met het schip de St. Louis vanuit Hamburg naar Amerika vertrokken, in de hoop de vervolgingen te kunnen ontlopen. De Joden op dit schip waren noch in de VS, noch in Cuba welkom en het schip keerde terug naar Europa.

De Schlesingers gingen in Antwerpen van boord en kwamen via Rotterdam in Amsterdam terecht. Via diverse adressen kwamen ze uiteindelijk bij Szaja Reiner en familie onderdak. Die woonden inmiddels op het Daniel Willinkplein 13 III. (nu Victorieplein).

De familie Schlesinger vertelde hoe het eraan toeging in Duitsland. Ab herinnert zich de grote verzameling foto’s van Hitler die Schlesinger had en dat ze skaat (een kaartspel) speelden. Sal heeft het over de postzegelverzameling en dat ze er af en toe heen gingen om te praten.

Van de meidagen van 1940 herinnert Sal zich heel goed de op 10 mei overvliegende Duitse vliegtuigen. Sal: ‘Ik werd wakker van afweergeschut op het dak van het, ik geloof van de wolkenkrabber.’ Dat was de flat die aan wat nu het Victorieplein heet staat. Toen heette dit plein het Daniel Willinkplein. Sal vervolgt:‘... op dat dak was een luchtafweergeschut en dat begon te werken en dat was natuurlijk een heel – wij woonden daar tegenover – een heel afschrikwekkend geluid.’

De familie vertrok de volgende dag met de eigen auto naar IJmuiden, waar ze een plek op een schip naar Engeland hoopten te krijgen. Dat lukte niet en ze keerden naar Amsterdam terug.

Als Sal naar de anti-Joodse maatregelen wordt gevraagd zegt hij dat het in het begin wel meeviel. Door de verhalen van familie in Polen waren ze wel bekend met de ernst, ze stuurden begin 1940 pakketjes naar Polen. Bovendien las Sal al jaren de krant en wist dus wat er in Duitsland speelde. Maar hoe ernstig het zou worden wisten ze toen nog niet. 

De eerste anti-Joodse maatregelen werden als draaglijk gezien, je moest je registreren. Hij en Ab bleven naar school gaan, ze zaten in de vijfde klas (nu groep zeven) en de school was in mei maar een paar dagen gesloten. Uit brieven bleek wel dat het in Polen minder goed ging met de Joden. Die brieven werden gecensureerd maar door een soort geheimtaal werd toch wel duidelijk dat er daar geweld werd gebruikt.

In 1941 werd het wel duidelijker dat ook in Nederland de Joden in de knel kwamen te zitten. Er kwamen steeds nieuwe verordeningen, zoals de ‘Verboden voor Joden’ borden in parken, zwembaden, cafés. Joodse ambtenaren en - musici werden ontslagen. Sal vertelt dat hij er persoonlijk geen last van had, hij ging toch niet naar het café en op parkbankjes zat hij ook niet. Toen in 1941 fietsen moesten worden ingeleverd was dat wel lastig, hij stond op het punt te leren fietsen.

In het voorjaar van 1941 werden alle Joodse bedrijven in Nederland in beslag genomen, zo ook de fabriek van Szaja en Jozef. De fabriek kreeg een ‘Verwalter’, een bewindvoerder, maar nog meer dan een jaar kon Szaja als directeur blijven werken.

Echt vervelend werd het toen Joodse kinderen naar aparte Joodse scholen moesten, per 1 september 1941. Sal en Ab waren net van de lagere school af en moesten beginnen op een middelbare school die geheel Joods was: het Joods lyceum dat lag tussen de Weesperstraat en de Amstel met Joodse leerlingen en Joodse leraren. Ze hadden, zegt Sal, daardoor wel goede leraren. Die waren door de bezetter ontslagen op andere scholen. Zo kregen ze onder andere les van Jacques Presser.

Sal over de anti-Joodse maatregelen die heel geleidelijk werden ingevoerd: 

‘Wat ik dus het ergste vond is: het was een grijze wolk die op je af kwam, een fuik die steeds kleiner werd maar in het begin heb je dat niet door. En als je eenmaal, toen we met een ster waren en geregistreerd waren en opgehaald werden, toen waren we al door de opening van die fuik geraakt in de val. En toen konden we er niet uit. Tóen begrepen we alles.’

Eind 1941, begin 1942 namen de anti-Joodse maatregelen sterk toe en half 1942 vonden de eerste transporten plaats. Szaja had een ‘Sperr’ (dat betekent dat hij vrijgesteld was van transport) maar evengoed kwam de politie tot drie keer aan de deur om mensen op te halen.

In november 1942 ging het mis. Eva, de moeder van Sal, wilde haar zus Gitel die in de Roerstraat woonde, bezoeken. Net toen ze die straat inliep vond daar een razzia plaats. Ze werd opgepakt en kwam in Westerbork terecht. Daar werd ze voorlopig vrijgesteld van transport naar ‘het Oosten’. Dat had Szaja, die via een van zijn zwagers, vermoedelijk Josef die een functie bij de Joodse Raad had, voor gezorgd. Maar op 18 mei 1943 moest ze toch mee op transport. Op 21 mei, drie dagen na vertrek uit Drenthe, werd ze in Sobibor vermoord.

De dag nadat Eva was opgepakt kreeg Sal een oproep ‘voor gezinshereniging’. Sal wilde gaan maar werd tegengehouden door zijn oom en ondergebracht bij Adolf Obstfeld, een broer van Jozef Obstfeld, door Sal ‘oom Dolf genoemd’. Die was bontwerker en had een ‘hoge Sperr’ omdat hij bontvesten voor Duitse vliegers leverde. Daar bleef Sal twee weken waarin hij niet meer naar school ging en zijn oom hielp met het opspannen van konijnenvellen. Adolf was actief in het verzet onder de naam Eduard Zeller. Later dook hij onder in Hattem en overleefde de oorlog.

Na twee weken werd Sal door een 'meneer de Groot’, die later Johannes Post bleek te zijn, met de trein naar Hoogeveen gebracht.

Een fuik

‘Wat ik dus het ergste vond is: het was een grijze wolk die op je af kwam, een fuik die steeds kleiner werd maar in het begin heb je dat niet door. En als je eenmaal, toen we met een ster waren en geregistreerd waren en opgehaald werden, toen waren we al door de opening van die fuik geraakt in de val. En toen konden we er niet uit. Tóen begrepen we alles.’

Ab zag ook vanuit huis hoe de Joden werden opgepakt en hij vertelt dat er op school steeds minder leerlingen zaten. Het beslissende moment voor Szaja en Lea om (ook) onder te duiken kwam toen op Grote Verzoendag 1942, de Joden gingen op die dag alleen voor synagogebezoek de deur uit, grote razzia’s werden gehouden. Ab: ‘Dus makkelijk pakken.’

In de herinnering van Ab ging hij samen met Sal naar Hoogeveen en scheidden daar hun wegen.

Uiteindelijk kwamen Szaja, Lea, Ab en Marco bij Jan van der Helm en Johanna van der Helm-Moes. Die hadden twee kinderen, een van twee jaar en een baby. Het huis was een kleine boerderij aan het Zuideropgaande, iets ten zuiden van Hollandscheveld. Het was een huis met twee kamers en een deel. Eén van de twee kamers was voor Szaja, Lea, Ab en Marco. Ze sliepen in een bedstee. In de schuur stond een schuilplaats gebouwd van strobalen, daar zaten ze alleen in geval van nood. Normaal zaten ze de gehele dag in die kamer, vijf bij vijf meter en mochten absoluut niet naar buiten, zeker overdag niet.

Sal kwam bij een ander gezin terecht: bij Albert Moes en Hendrikje Moes-Post. Die hadden tien kinderen van wie er drie, waaronder dochter Johanna, de deur uit waren.

Het was een eenvoudig levend, zeer gelovig gezin. In het huis was geen waterleiding en ook geen elektriciteit. Ze hadden een stuk of acht koeien, een aantal varkens en kippen. Er waren geen boeken, geen krant en radio. Sal: ‘Het was afgesloten van de wereld en leek een cultureel andere planeet.’

Sal werd als kind opgenomen in het gezin, heette Johan Smit, kwam zogenaamd uit Rotterdam en werkte mee op het land, zes dagen van de week. Hij voelde zich afgesloten van de wereld, wist ook niet waar zijn moeder was, of ze nog leefde.

Van echt verbergen was geen sprake: Sal had een lichte huidskleur en was niet donkerharig. Bovendien was de boerderij waar hij zat erg afgelegen. Op zondag ging hij mee naar de kerk en droeg de zelfde kleding als de kinderen van het gezin Moes.

Uiteindelijk moest Sal toch naar een ander adres want er werd door de buurt over hem gesproken en het gevaar van verraad werd te groot.

Hij werd naar een huis dicht in de buurt gebracht en zag tot zijn verrassing zijn oom, tante en neefjes terug: hij werd ook bij Jan en Johanna van der Helm ondergebracht. Dat was in april 1944.

Op zijn nieuwe onderduikadres moest hij binnenblijven, net als zijn familie. Toen zaten er dus vijf mensen in die voorkamer. Ze hadden eigenlijk niets te doen. Ze luisterden naar Radio Oranje en Ab en Sal konden werken met een wiskundeboek dat door de onderwijzer van de school in de buurt was afgegeven. Dat boek werkten ze helemaal uit, van voor naar achter en terug. Ze lazen ook in de bijbel. Verder was er niets.

Op de vraag hoe ze dat uithielden antwoordt Ab: ‘We wisten dat het afliep, waren op de hoogte van het verloop van het front.’ Hoop dus.

Af en toe kwam er een man langs, vertellen zowel Ab als Sal. Ze vermoeden dat dit was om de gastgezinnen te betalen voor de onderduik en het eten. Vooral bij het eerste onderduikgezin van Sal, bij Albert en Hendrikje Moes, die het niet breed hadden, moet dit een belangrijke bijdrage zijn geweest. Het moet geld van Szaja Reiner geweest zijn, vermoedelijk ook van Jozef Obstfeld. 

Op 7 februari 1945 werden ze alsnog gepakt, door een toeval. Iemand zag Szaja over de deel lopen terwijl er niemand thuis hoorde te zijn. Szaja, Lea en de drie kinderen kropen onder de grond van het voorhuis. Toen de gewaarschuwde landwacht kwam, riepen die eerst Jan van der Helm, op het land aan het werk, aan. Die probeerde weg te komen maar werd door een van de landwachten doodgeschoten.

Vervolgens werd er geëist dat de deur opengemaakt zou worden en Szaja zei tegen zijn familie: ‘OK, sluit de kelder af en ik maak open, want beter één dan vijf.’

Szaja werd meer dan een uur zeer ruw verhoord en nagenoeg doodgeknuppeld. Toen schoten ze hem dood. De verborgen toegang werd ontdekt en Lea en de kinderen moesten eruit komen. Daarbij viel nog een schot dat Ab in zijn been raakte.

Met paard en wagen werden ze naar het politiebureau in Hoogeveen gebracht, verhoord en een dag later, ook met paard en wagen, naar kamp Westerbork gebracht

Ab kwam in het kampziekenhuis terecht met zijn schotwond, de anderen kwamen in de strafbarak, de plek binnen kamp Westerbork waar Joden die opgepakt waren geplaatst werden. Er moest gewerkt worden, zo kwam bijvoorbeeld Sal in de batterijsloperij, vies werk waarbij je zo zwart werd dat het zelfs met vaker wassen niet verdween.

Lea en de kinderen zaten dus ruim twee maanden in het kamp toen dit op 12 april 1945 bevrijd werd. Zij rouwde om haar vermoorde man en wilde niet eten. Pas nadat de jongens haar aanspoorden dit toch te doen ging ze weer eten. Ab vertelt dat zijn moeder twee jaar na de bevrijding een maagzweer kreeg en is er van overtuigd dat dit door zorgen en verdriet kwam.

Sal herinnert zich niet dat er veel feest was bij de bevrijding van het kamp; het leven werd wel gemakkelijker en er was meer eten. Een aantal dagen na de bevrijding verscheen er een vrouw op een fiets in het kamp: Johanna van der Helm. Ze was uit Hollandscheveld komen fietsen en had eieren en boter bij zich. 

Sal: ‘… je zou zeggen iemand kan wraakzuchtig zijn, iemand kan “wat heb ik me op de hals gehaald, als die mensen er niet waren geweest had ik nu mijn man terug gehad’ zeggen.’ Hij vervolgt‘Maar ze kwam om ons te helpen. Een hele bijzondere vrouw.’

Jan en Jo van der Helm werden in 1967 door Yad Vashem erkend als ‘Righteous Among the Nations’ (Rechtvaardige onder de Volken).

Lea en haar drie kinderen, Sal en Ab waren inmiddels 16 jaar, konden op 28 juni 1945 uit het kamp vertrekken. Dat ze niet eerder weg konden had verschillende oorzaken: Nederland lag deels in puin, er moest gecontroleerd worden of de nog aanwezige voormalige gevangenen niet samen hadden gewerkt met de Duitsers en van Sal, die nog Duitser was, werd pas langzaam duidelijk dat hij nergens anders heen kon. Overigens werd Sal in 1953 genaturaliseerd tot Nederlander.

Ze reden met een vrachtauto mee naar Amsterdam. Daar kwamen ze in huis bij Henriette Mendels die aan de Mozartkade woonde. Henriette en haar dochter Judica waren ook in kamp Westerbork toen dit bevrijd werd. De man van Henriette, Maurits, een bekend lid van de SDAP en lid van de Eerste Kamer, was in juni 1944 in Theresienstadt overleden. Sal: ‘Dus van het kamp, en daarvoor boerderij, zijn we gekomen in een hele chique buurt van Amsterdam.’

Ook in Amsterdam deden Ab, Sal en Marco niet echt mee aan de bevrijdingsfeesten.

Ze spijkerden hun kennis bij een privépersoon bij en deden toelatingsexamen voor het gymnasium. Sal werd tot de vierde klas toegelaten, Ab tot de derde. Ze zaten niet lang gescheiden want al snel bleek Ab ook geschikt voor 4 gymnasium: bij het eerste rapport had hij zes tienen. Dat ze in de onderduik het wiskundeboek hadden doorgewerkt en ook nog wat aan Engels hadden gedaan hielp nu zeker.

Ze hadden, zo vertellen ze, een mooie schooltijd: het leren ging gemakkelijk, ze zaten op een schaakclub, deden mee aan de schoolfestiviteiten.

Financieel was er geen probleem. Jozef Obstfeld, de zwager van Lea, die de oorlog overleefd had (zie nawoord) en die samen met Szaja eigenaar van ‘Rijnco’ was, stond op het standpunt dat hij de zaak samen met Szaja had opgezet en dat het wat inkomsten uit die zaak betrof niet uitmaakte dat Szaja er niet meer was. Jozef, door Sal ‘oom Moor’ genoemd, zorgde dus voor geld waardoor ze huur konden betalen.

Het huis aan de Mozartkade kon Lea in 1948 van Henriette Mendels kopen met geld dat uit de zaak van Jozef Obstfeld kwam. Henriette Mendels was teleurgesteld in Nederland: ze had, nadat ze uit het kamp terug kwam de rekening voor het gebruik van haar telefoon door de SS die in haar huis had gezeten, gekregen. Bovendien eiste de gemeente Amsterdam belasting voor de tijd die ze gevangen zat. Het was voor haar waarschijnlijk tekenend hoe de Nederlandse overheid met teruggekeerde Joden omging. Ze emigreerde met haar dochter naar de VS.

Met het geld van hun oom konden de jongens een goede opleiding krijgen. Oom Moor was wel teleurgesteld dat noch Sal, noch Ab bij hem in de zaak wilde komen. Ze kozen allebei voor een studie in de exacte vakken: Ab koos natuurkunde, Sal scheikunde. Toen ze in de gaten kregen dat hun oom ernstig teleurgesteld was dat ze geen studie wilden volgen die hen geschikt maakte om in het bedrijf te gaan werken terwijl hij hun studie betaalde, spraken ze af om ieder een halve dag bij hem te gaan werken. Ze moesten onderaan beginnen, een pretje was dat niet. Tijd voor een vrolijk studentenleven was er daardoor ook niet.

Toen Ab een aanbod kreeg voor een studentassistentschap stopte hij bij zijn oom. Sal werd wat later leraar scheikunde op de Joodse HBS, nu het Maimonides, en stopte ook bij zijn oom.

Al op de middelbare school werden ze lid van een Joodse jeugdorganisatie, vermoedelijk de voorloper van Haboniem, een links georiënteerde jeugdbeweging en later, toen ze studeerden, van de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie (NZSO). Ab leerde in de NSZO Naomi Tal kennen. Ze trouwden in 1952 en kregen vijf kinderen.

Toen Sal afgestudeerd was kon hij snel een baan vinden: hij kon kiezen: Shell of Philips. Maar er was nog een mogelijkheid: naar Israël gaan. Hij vertelt dat er meerdere redenen waren om Nederland te verlaten en heeft het dan over de ‘duw’ en de ‘trek’, bekende begrippen bij de redenen om te emigreren. Hij zegt: ‘De duw was: uit Nederland om niet te worden geconfronteerd met mensen waarvan je kijkt en zegt: wat heeft hij gedaan in de oorlog? Ik was toen nog naïef, ik had het nu niet meer gevraagd, maar deze mensen waren allemaal onverschillig of fout. En de goede niet te na gesproken. En dat is de duw uit Nederland.’

Over de trek zegt hij: ‘En wat was het trekken: plotseling, in ’48, was een staat gesticht – ik was in ’55 pas afgestudeerd. Het was een jonge staat die nog niet de fouten heeft gemaakt die ze nu maken en het was een land in opbouw en met mooie – toentertijd leek dat – mooie ideeën, veel socialistischer dan de rest van de wereld, veel eerlijker verdeeld en zo.’

Hij reisde naar Israël, had een gesprek en kreeg de baan op het Weizmann instituut in Rehovot, een plaats niet ver van Tel Aviv. Na een jaar kwam hij terug naar Nederland en trouwde daar in 1956 met Bianca Blaugrund, net twintig jaar oud. Zij studeerde in Tel Aviv en werd lerares Engels in Rehovot. De eerste drie jaar woonden ze klein: één kamer. In die eerste drie jaar kregen ze twee kinderen: een dochter en een zoon.

In 1961 kreeg Sal een post-doc plaats op de universiteit van Princeton. Bianca ging mee. Na twee jaar keerden ze terug naar Rehovot.

Sal werkte tien jaar op het Weizmann instituut en maakte er promotie. Ook Ab kwam op dat instituut te werken: hij was met zijn vrouw Naomi en drie kinderen, een tweeling overleed in Nederland, in 1959 naar Israël verhuisd. Uiteindelijk werd Ab op het Weizmann instituut hoogleraar.

Sal specialiseerde zich in laser-chemie, onder andere gebruikt bij de behandeling van kanker, en kreeg in 1966 het aanbod om op de Universiteit in Haifa te komen werken, als hoogleraar, dat hij graag aannam. Op zijn verzoek werd er daar een speciale laser aangeschaft.

Hij vond het culturele klimaat daar veel aantrekkelijker en ook sociaal voelde hij er zich meer op zijn gemak.

In 1997 ging Sal met pensioen en nam daarna de uitnodiging aan om senior adviseur bij het Sheba Medisch Centrum te worden. Dat was hij nog gedurende tien jaar. Hij woonde in 2018 inmiddels ruim vijftig jaar in die stad en was daar zeer tevreden mee. Over de Israëlische gemeenschap en de politiek was hij minder tevreden: ‘Ik heb klachten over het leven van de gemeenschap, die veel onsympathieker, veel – ik weet niet hoe ik het zeggen moet – veel rechtser, religieuzer, messiaanser, is dan ik had gewild.’

Ab en Naomi waren het ook niet altijd eens met dat wat de regering van Israël besloot. Zo ondertekenden ze nog in 2018 een petitie waarin sterk werd geprotesteerd tegen het asielbeleid van de regering ten opzichte van asielzoekers uit onder meer Eritrea, Soedan en Rwanda. Ook komt hun naam voor op een lijst met Israëliërs die tegen de bezetting van de Palestijnse gebieden door Israël zijn.

Overigens had Ab in Israël zijn achternaam van Reiner in Rinat laten veranderen.

Dat deed Marco ook. Hij trouwde met Joke Tof en vertrok ook naar Israël. Ze kregen drie kinderen en zes kleinkinderen. Marco kreeg in 1971 een eredoctoraat van de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem.

Lea, genaturaliseerd in 1950, bleef in Amsterdam achter, verhuisde in 1967 naar de Johannes Worpstraat en ging in 1971, ze was toen 69 jaar, naar Israël. Daar overleed ze in 1987.

Aan het eind van het interview reflecteert Sal op wat er gebeurd is in Nederland en hoe hij gereageerd zou hebben op het verzoek om een Joods jongetje in huis te nemen. Hij zegt: ‘Ik had waarschijnlijk gezegd: hij kan hier vannacht blijven als het gevaarlijk is; ik kan niet, ik wil niet mijn gezin in gevaar brengen. En daardoor ben ik anders gaan staan tegenover de ‘foute’ Nederlanders, die over het grootste deel onverschillig waren.’

Sal Kimel is in 2021 overleden.

Nawoord

Over de drie zussen van Lea:

Eva Reiner Goldberg, geboren in 1893 in Kielce, vermoord in 1943 in Sobibor;

Gitel Cohn Goldberg: geboren in 1896 Krakau, vermoord in 1943 in Sobibor, evenals haar man Abraham Cohn, geboren in 1895 in Krakau, vermoord in 1943 in Sobibor en hun zoon, Artur Cohn, geboren in Krakau in 1924, vermoord in Auschwitz in 1944;

Erna Goldberg: geboren in 1910 in Krakau, vermoord in 1942 in Belzec.

Jozef Obstfeld, geboren in 1894 in Krakau en zijn vrouw Reizel Obstfeld Reiner, geboren in 1899 in Krakau, zijn via kamp Westerbork en Theresienstadt uitgeleverd naar Zwitserland en na de oorlog teruggekomen naar Nederland. Zij hadden twee zonen, Marco en Jacques. Marco, geboren in 1922 in Krakau is in 1941 vermoord in Mauthausen. Jacques, geboren in 1928 in Amsterdam, is overleden in 1984 in Amsterdam. Reizel heeft haar levenlang getreurd om het verlies van haar zoon. In 1980 zijn Jozef en Reizel naar Israël vertrokken. Jozef overleed in 1984 in Haifa.

Adolf Obstfeld, geboren 1906 in Krakau, zijn vrouw Tilla Schnitzer, geboren in 1907 in Chrzanow en hun zoon, Joseph Arjé, geboren in 1937 in Amsterdam, overleefden de oorlog. In 1950 zijn Adolf en Tilla gescheiden. Tilla is hertrouwd en naar de VS geëmigreerd en in 1993 in Tel Aviv overleden. Adolf is naar Israël geëmigreerd en in 1988 in Herzlia overleden.

Het echtpaar Schlesinger dat onderdak vond bij Szaja en Lea heeft de oorlog niet overleefd: ze werden in 1943 in Sobibor vermoord.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.