Erich Gustav Cohn

Ad van der Logt schreef een bijzonder portret over Erich Gustav Cohn die als 'Alte Lagerinsasse' in kamp Westerbork bekenden van transport wist te vrijwaren.

Erich Gustav Cohn

In de persoon van Erich Cohn wordt het dilemma van de Duitstalige Joden in Westerbork aangestipt. Door hun vooraanstaande positie bij de Antragstelle konden zij wellicht hun invloed aanwenden om de namen van sommige medegevangenen van transportlijsten te schrappen of hun bestemming te wijzigen. Dat zij daardoor vaak met scheve ogen werden aangekeken moge duidelijk zijn.

Jeugdjaren in Duitsland

Erich Gustav Cohn wordt op 28 april 1909 in Berlijn geboren als zoon van Bruno Cohn (Neuenburg am Rhein, 15 maart 1869) en Lina Levy (Dortmund, 27 februari 1868). In zijn jeugdjaren is hij lid van de in 1916 opgerichte Deutsch-Jüdischer Wanderbund Kameraden. Tot deze groep voelen voornamelijk niet-religieuze en niet-zionistische Joodse jongeren zich aangetrokken. Na zijn afstuderen als jurist wordt hij een vooraanstaand advocaat bij het befaamde Berlijnse concern van Jakob Michael (1894-1979). Deze ondernemer en latere filantroop is in de twintiger jaren een van de rijkste mannen van Duitsland met een geschat vermogen van 150 miljoen Reichsmark. Door zijn overigens legale valutatransacties heeft hij zichzelf vooral bij de nationaalsocialisten zeer gehaat gemaakt. Sinds 1932 is hij met zijn bedrijf en zijn belangrijkste werknemers uitgeweken naar Nederland. De zaken op het Berlijnse kantoor werden waargenomen door zijn rechterhand Rudolf Neumann (1904-1979). Cohn blijft in Berlijn achter, omdat hij in tegenstelling tot andere Joden wel een baan heeft en bovendien als vrijgezel zijn moeder moet onderhouden. In april 1933 wordt ook hij met een beroepsverbod geconfronteerd, waarna hij naar Zuid-Afrika uitwijkt. Eenmaal daar aangekomen, kan hij echter niet in zijn onderhoud voorzien - wat kan hij ook doen met een bachelor Duits recht in het buitenland? - en Neumann zorgt ervoor dat Cohn (teruggekeerd) als conciërge bij zijn oude advocatenkantoor in de Duitse hoofdstad kan blijven werken. Daar leert Cohn halverwege de jaren dertig Vera Salwitz (Berlijn 05 januari 1902) kennen en op 28 mei 1936 trouwen ze. Zij is de dochter van Chaim Alexander Salwitz (*Oświęcim/ Auschwitz, 8 oktober 1867) en Rachel Eckstein (*New York, 21 februari 1867). Toen ook zijn onderhoudswerk onmogelijk werd, vluchten de Cohns illegaal naar ons land.

Quarantaine Inrichting Heijplaat. Bron: https://www.heijplaat.com/quarantaine-inrichting.

Vluchtelingen in Nederland

Op 3 april 1939 verblijven Erich en Vera in het Vluchtelingenkamp Beneden Heijplaat, Quarantaineweg 1, Rotterdam. Dit havenquarantainestation werd oorspronkelijk gebruikt om de emigranten uit Oost-Europa, die per schip naar Amerika wilden varen in verplichte quarantaine te houden. Sinds december 1938 is het vooral een opvangcentrum voor Duitse en Oostenrijkse Joden. Het hele complex van tien gebouwen heeft de Rotterdamse architect Ad van der Steur (1893-1953) in de stijl van de Amsterdamse School opgetrokken. De vraag is of de Cohns daar veel belangstelling voor gehad zullen hebben.

Luchtfoto van Beneden Heijplaat uit 1937. Bron: http://www.dokin.nl/refugee-homes-in-nl/rotterdam_quarantine_beneden_heijplaat.

Drie weken later, op maandag 24 april 1939, wordt Cohn overgeplaatst naar het Protestants en Rooms Katholiek Vluchtelingenoord in Sluis (Zeeuws-Vlaanderen), dat onder leiding staat van reserve-majoor C.J.U. Somers en waar hij gedurende bijna zes maanden geïnterneerd zal worden. Samen met 49 andere Duitse en Oostenrijkse Joden behoort Cohn tot de eerste bewoners van dit opvangkamp in de voormalige meisjeskostschool van het Ursulinenklooster, thans hotel De Dikke van Dale (Annastraat 46). Twee dagen later komen nog eens 120 vluchtelingen met een extra tram van de Stoommaatschappij Breskens-Maldeghem (België) hier terecht. De oorspronkelijke groep van 50 had het plein schoongeveegd en het gebouw enigszins bewoonbaar gemaakt, aldus journalist George van Vooren in Dagblad de Stem (24 oktober 1989). Dit was wel nodig geweest, want het instituut had jarenlang leeg gestaan. De Duitstalige Joden waren voornamelijk katholieke Joden. Een aantal van hen had zich door de druk van de omstandigheden of om aan een onzeker lot te ontkomen tot het katholieke geloof bekeerd. Anderen bereidden zich daarop voor. Of dit ook bij Cohn meegespeeld heeft, valt niet meer te achterhalen.

Zijn vrouw Vera gaat om onbekende redenen niet met hem mee; zij vertrekt op 26 april 1939 naar het Lloyd hotel aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam, eveneens een oorspronkelijke verzamelplaats voor landverhuizers. Een Amsterdamse ambtenaar noteert op 9 oktober 1939 op Cohns persoonskaart de letters VOW, wat betekent dat hij rond die datum vertrokken is, onbekend waarheen. Toch is Cohn later ook in het Lloyd hotel terecht gekomen, want uit zijn eigen aantekeningen (op verzoek van het RIOD, thans NIOD) blijkt dat hij op 24 juni 1940 samen met zijn vrouw naar Westerbork is getransporteerd.

Het hele complex van tien gebouwen heeft de Rotterdamse architect Ad van der Steur (1893-1953) in de stijl van de Amsterdamse School opgetrokken. De vraag is of de Cohns daar veel belangstelling voor gehad zullen hebben.

De eerste maanden in Westerbork  

Op de dag van aankomst in Westerbork heeft Erich Cohn een gesprek met Jacques Schol, tot juli 1942 de Nederlandse commandant van Westerbork. Schol vertelt hem dat de Duitsers van plan zijn de mannen naar Duitse kampen over te brengen en dat mannen en vrouwen gescheiden zullen worden. Bovendien hebben de Duitsers tijdens identiteitscontroles personen aangetroffen die met illegale papieren de landgrens overgestoken waren (zoals waarschijnlijk de Cohns) en negen personen die op de lijst van het passagierschip Saint Louis voorkwamen en in Antwerpen van boord waren gegaan. Cohn bericht verder dat Schol twee keer per dag appels ingevoerd heeft, alle werkplekken en kantoren onder Nederlands toezicht geplaatst en het beheer van de administratie aan de gevangenen overgedragen. In het voorjaar van 1942 worden de discipline en organisatie aangescherpt als voorbereiding op het nieuwe Duitse toezicht. Op 24 juni van dat jaar arriveert een officiële Duitse delegatie en op 30 juni kondigt Schol tijdens een appel aan dat de SD (Sicherheitsdienst, in werkelijkheid zou het kamp onder de SS vallen) de volgende dag de administratie van het kamp zal overnemen. Vijftien dagen later beginnen de transporten naar de concentratiekampen in het oosten.

De getrapte Duitse verdeel-en-heerstactiek

De Duitstalige Joden, Alte Kampinsassen of Saint Louis Baronnen genaamd, hadden elkaar al in de vluchtelingenoorden voor de oorlog ontmoet en daardoor na hun deportatie naar Westerbork bevoorrechte posities verworven. In zijn dagboek 'In depot' typeert medegevangene Philip Mechanicus (1889-1944) hen als de ‘edelen van Westerbork’. Daarmee doelt hij vooral op Oberdiensleiter Kurt Schlesinger (1902-1963), het hoofd van de medische dienst dokter Fritz Spanier (1902-1967) en de leider van de Antragstelle Hans Ottenstein (1902-1986). Een trap lager op de kampladder vormt zich een soort middenkader, dat op de een of andere manier iets voor de andere kampbewoners kan regelen. Meestal kunnen nog enkele wijzigingen doorgevoerd worden bij de wekelijkse transportlijsten. Zo heeft Erich Cohn zichzelf en zijn vrouw Vera, zijn vriend Max Osias Korman (1895-1962) en anderen voor transport kunnen behoeden. Cohn en Korman bespreken in het begin van hun gevangenschap de mogelijkheid om de kampadministratie te saboteren. Maar wie zal hen kunnen helpen? Omdat ze ten onrechte denken dat het Nederlandse verzet niet in het kamp kan komen, zien zij er geen heil in.

Westerborkkaart van Hannah Feilchenfeld uit het archief van het Rode Kruis.

Eva Newman - Feilchenfeld (Berlijn, 1 februari 1908 - †New York, 20 januari 2007), vertelt in haar boek 'Her Story' dat haar man Randolph Newman (= Rudolf Neumann), weliswaar tevergeefs, geprobeerd heeft Cohn aan een baan te helpen bij de Nederlandse vestiging van de firma Michael. Als haar ouders Heinrich Feilchenfeld (1865-1945) en Hannah Feilchenfeld-Kadisch (1880-1957) op 21 november 1942 vanuit Gorinchem in Westerbork aankomen – Eva is in augustus 1939 met haar man en drie kinderen naar Amerika geëmigreerd – is Cohn volgens Eva de rechterhand van kampcommandant Albert Konrad Gemmeker (1907-1982), die sommige van zijn taken en verantwoordelijkheden aan hem overgedragen heeft. Cohn kan ‘als dank voor de hulp in Berlijn’ de eindbestemming Auschwitz voor Hannah en haar man naar Bergen Belsen omzetten waardoor zij een grotere kans hebben de oorlog te overleven. Op 15 februari 1944 gaan zij met de trein op transport. Ook voor Meiran Neumann, de moeder van Rudolf/ Randolph, kan Cohn iets bewerkstelligen. Hij maakt Gemmeker wijs dat zij zijn pleegmoeder is, waardoor Theresienstadt tien dagen later haar reisdoel wordt.

Deze reddingsactie van Cohn verdient enige toelichting. Was het werkelijk zo dat hij zo’n grote invloed had? Eva’s zoon Robert, de bewerker van haar memoires, vergelijkt hem met Itzhak Stern, de medewerker van de Duitse zakenman Oskar Schindler, uit de film Schindler’s List. Em. Prof. Gerd Korman vermoedt dat Eva Hannahs verhaal over de gebeurtenissen in Westerbork als waarheid heeft overgenomen. Hij tekent daarbij aan dat Hannahs oorlogservaringen voor een groot deel bepaald zijn door de hectiek van de beginnende transporten en de nasleep van de machtsoverdracht aan de SS op 1 juli 1942. Schol bleef namelijk tot januari 1943 in functie en in dat half jaar had hij te maken met drie Duitse kampcommandanten: Erich Deppner (1910-2005), Josef Dischner (1902-1989) en Gemmeker. Het is dus heel goed mogelijk dat Hannah en later dus ook Eva Schol en Gemmeker met elkaar verward hebben. Wat historisch wel klopt, is het feit dat Cohn de hoogste medewerker van die naam was in de directe omgeving van Gemmeker. Maar zijn invloed is in de praktijk en in de mate die Hannah en Eva hem toedichten niet zo groot geweest. Dat zal dan ook de reden zijn dat Ad van Liempt Cohn niet noemt in zijn dissertatie over Gemmeker. Cohns inspanningen voor de beroemde cabaretier Willy Rosen (1894-1944) en zijn gezelschap leveren geen succes op. Bij aankomst in Auschwitz worden allen op 30 september of 28 oktober 1944 vergast.

Een ander voorbeeld van Cohns inmenging vinden we mogelijk in de verzameling van dr. E.A.M. Speijer (1904-1999), tot eind 1942 leraar plant- en dierkunde aan het Joods Lyceum in Rotterdam. In zijn collectie is een prentbriefkaart aan Egon Weicner bewaard gebleven van een zekere Georg Weiner, behorend tot de Arbeitsgruppe Fuchs. Vanuit Theresienstadt verzoekt Weiner hem de groeten over te brengen aan Cohn. Of hij hiermee Cohn indirect wil bedanken voor het veranderen van zijn eindbestemming blijft onduidelijk, maar behoort zeker niet uitgesloten te worden.

Op basis van Amsterdamse archiefkaarten is het mogelijk dat Cohn en Osias Korman elkaar ontmoet hebben in Beneden Heijplaat of later in het Lloyd hotel. Eind juni 1940 zien ze elkaar (weer) in Westerbork, waar Korman al bijna een jaar verblijft en in de school van het kamp lessen Joodse geschiedenis en godsdienst geeft. Beiden maken korte tijd daarna deel uit van het bestuur van de Joodse synagoge en na het terugtreden van Korman in maart 1941 wordt de niet-religieuze Cohn wellicht door zijn contact met Schol bestuursvoorzitter om zo een belangrijke rol te kunnen spelen bij de centrale administratie van het Joodse leven in het kamp.

Dolle Dinsdag

Op 5 september 1944 (of wellicht eerder) heeft Cohn, blijkens het dagboek van voormalig zakenman Hans Bial (1911-2000), een functie bij de Antragstelle, waar hij verzoeken van Joodse gevangenen, die van de ene naar de andere barak moeten verhuizen, in ontvangst neemt. Ze moeten plaats maken voor duizenden NSB’ers die op deze Dolle Dinsdag – de geallieerden zouden al in Breda zijn – in aantocht zijn. Vooraanstaande Alte Kampinsassen krijgen meteen te horen welke barak ze toegewezen krijgen, anderen moeten tot hun ergernis uren op antwoord wachten. De volgende dag zien de Joodse gevangenen de volgelingen van Mussert geamuseerd arriveren:

'De eerste NSB’ers zijn gekomen, de meesten in particuliere auto’s volgestouwd met koffers, kinderwagens, kisten en dekens. De stroom NSB-vluchtelingen golft door het kamp. Te voet, in auto’s, op fietsen en boerenwagens, en op het laatst ook in goederen- en personentreinen komen ze aan. Iedereen staart elkaar aan, we kijken onze ogen uit. Nu zijn jullie aan de beurt, dat zeggen alle blikken.'

Tien dagen later helpt Cohn samen met de Frachtgruppe van Levie Hoed (1910-1988) de meubels uit de barakken waar NSB’ers onderdak hebben gekregen weg te halen. Als dat te zwaar wordt, houdt Cohn zich voornamelijk bezig met het sorteren en uitlenen van boeken. In de laatste maanden van 1944 lopen de fricties tussen de Duitse Joden op. Cohn vraagt zich af of niet alle belastend materiaal vernietigd moet worden, maar volgens Bial kunnen ze ervan uitgaan dat hun gedrag vanuit de heersende kadaverdiscipline en angst verklaard kan worden. Tijdens het bomen kappen in begin december komt het tot een scheldkanonnade tussen Kurt Schlesinger en Cohn.

De bevrijding

De dagen na de bevrijding van Westerbork slaat de blijdschap bij de kampbevolking om in teleurstelling. De gevangenen dachten vrij te zijn, maar ze bevinden zich weer achter het prikkeldraad. Ze mogen alleen met pasjes naar buiten, maar die worden amper verstrekt. In een tijdsbestek van elf dagen nemen ruim 130 gevangenen de benen. Vanaf eind april worden alle gevangenen aan een veiligheidsonderzoek onderworpen en omdat er slechts acht tot tien gevangen per dag gecheckt worden, kan dit nog maanden duren. En tenslotte worden de ex-gevangenen vanwege hun ‘grote ervaring’ ook nog ingezet bij de registratie en tewerkstelling van de opgepakte NSB’ers. Deze laatste taak stuit op weerstand, schrijft Jacques Presser (1899-1970) in 'De Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945', want hulp verlenen aan NSB’ers kan tot gevolg hebben, dat men als zodanig wordt beschouwd en eveneens ingesloten wordt. In de grote zaal van het kamp wordt er die eerste weken vaak gesproken met de nieuwe Nederlandse kampcommandant luitenant Jan Buijvoets (1918-2000) en Engelse officieren. Op 2 mei 1945 schrijft Bial in zijn laatste dagboekverslag dat Cohn de inhoud heeft voorgelezen van een ontmoeting met Buijvoets en een Engelse kolonel. Cohn vindt ‘dass es eine Gefahr ist, die vom Obersten angeregte Wunschliste aufzustellen, da das von holländ[ische] Seite als Versuch zur Erreichung einer Intervention aufgefasst werden könnte, eine Intervention die wir, wie die Dinge liegen, wahrscheinlich gar nicht nötig haben. Das wird auch begriffen.’

Op 28 juni 1945 mogen Erich en Vera eindelijk uit Westerbork vertrekken. Het duurt een tijdje voor ze zich in Amsterdam vestigen. Kok en Somers schrijven in 'De Jodenvervolging in foto’s' dat de Nederlandse regering in haar maag zat met de Duitse Joden die voor de oorlog naar Nederland gevlucht waren, in de oorlog in Westerbork of andere kampen gevangen gezeten hadden en nu hun plaats in de Nederlandse samenleving opeisten. Vanaf september 1945 kunnen ze pas terecht in het Amsterdamse Huis van Repatriëring. Of Erich en Vera Cohn hier ook verbleven hebben, is niet bekend; pas op 5 oktober nemen ze hun intrek in Amstelkade 109II. Tijdens de oorlog woonden daar Kurt Joseph en Stephan Henry Frankfort, beiden vertegenwoordiger van beroep. Joseph werd afgevoerd naar Sobibor waar hij op 14 mei 1943 werd vergast. Frankfort trof eenzelfde lot op Eerste Kerstdag 1943 in Auschwitz. Dit huis is nu een Joods monument.

Op 30 januari 1947 emigreren de Cohns naar Amerika. Daar pakte Cohn zijn werk als jurist weer op, ditmaal als restitutieadvocaat met een eigen firma op Fifth Avenue in hartje New York. In de Verenigde Staten heeft Cohn weer contact met Max Osias Korman. Heinrich Feilchenfeld stierf aan dysenterie op 19 januari 1945, twee dagen voor hij samen met Hannah en andere gevangenen met een dubbele (Paraguyaanse) nationaliteit naar de kasteelgevangenis van Wurzach zou worden overgeplaatst. Zijn naam staat vermeld op de Joodse gedenktekens in Gorinchem en Hoofddorp. Hannah Feilchenfeld overleeft de oorlog in Wurzbach en emigreert naar Amerika waar ze op 25 februari 1957 in Baldwin, een voorstadje van New York, overlijdt. Het is niet bekend wanneer Erich en Vera zijn overleden.

Hannah and Heinrich Feilchenfeld. Bron: http://www.redhouses.de/judenE.htm.

Bronnen

Hans Bial - 'Briefe an Hetty. Tagebuch aus dem Lager Westerbork, 17. Sept. 1944 – 12. Mai 1945'.

Gerd Korman - 'The 'Diener': Exploring What Some Children Said About Their Parents in Westerbork.' Bewerkte versie van de lezing die deze emeritus hoogleraar op de Internationale Etty Hillesum Conferentie in januari 2014 in Gent gehouden heeft.

Ad van Liempt (2019) - 'Gemmeker. Commandant van Kamp Westerbork.'

Philip Mechanicus (1985) - 'In Dépôt, Dagboek uit Westerbork'. Amsterdam: Polak & Van Gennep. Digitale versie: https://www.dbnl.org/tekst/mech011inde01_01/.

Robert G. Newman (2007) - Eva E. Newman: Her Story'. New York. 

Jacques Presser (1985) - 'De Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945'. Den Haag: Staatsuitgeverij. Digitale versie: https://www.dbnl.org/tekst/pres003onde01_01/

Gisela Rothenhäusler (2008) - 'Das Wurzacher Schloss 1940 – 1945. Ein kleines Kapitel Europäischer Geschichte'. Lindenberg im Allgäu: Kunstverlag Josef Fink GmbH.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.