Cato de Lange-Coster

Cato Coster werd geboren in ‘s-Graveland op 10 maart 1874. Met broer Samuel vormde ze een tweeling en dat was de tweede tweeling in het gezin, want twee jaar eerder waren er ook al twee jongens geboren, waarvan er één bij de geboorte overleed. Na Cato werden nog twee broers geboren. Alleen haar jongste broer zou de oorlog overleven.

                                         

Cato de Lange-Coster

Voornaam
Cato
Achternaam
de Lange-Coster
Geboortedatum
10 maart 1874
Geboorteplaats
's Graveland
Sterfdatum
21 mei 1943
Sterfplaats
Sobibor

Cato Coster trouwde op 13 maart 1907 In Hilversum met David de Lange. David was op 4 augustus 1878 geboren in Raalte en dat werd ook de woonplaats van het bruidspaar. David was veehandelaar en paste daarmee uitstekend in een lange familietraditie van slagers, slachters en veehandelaren. David en Cato woonden in Raalte aan de Brugstraat 169 (nu is dat nummer 38). Op 8 december 1907 werd hun tweeling Saul Jacob (Sjaak) en Elisabeth (Betje) geboren. Op 30 juni 1909 werd Jacob (Jaap) geboren. Vanwege de verschillende families De Lange in Raalte werd er veelvuldig gebruik gemaakt van bijnamen: David stond bekend als ‘de Neus’. Elisabeth was vaak ‘Zus’ en Jaap werd ‘Kuntie’ (Kontje) genoemd. Jaap en Sjaak, beiden net als hun vader ook actief als veehandelaar, woonden ten tijde van de oorlog nog bij hun ouders. Al had Sjaak al langdurig verkering met Zus Kelder van de Almelosestraat. Betje trouwde op 18 november 1929 met een man die net als haar broer Jacob (Jaap) de Lange heette. Deze Jaap, ook een veehandelaar en geboren in Raalte op 8 maart 1898 werd vanwege zijn magere gestalte ook wel ‘Bot’ genoemd. Jaap en Betje woonden eerst aan de Brugstraat tegenover het ouderlijk huis van Betje en later aan de Marktstraat 206 in Raalte. Een buurtgenoot, geciteerd in het boek ‘Gebroken Joods Leven in Raalte’, herinnerde zich later nog de zelfgebakken Jodenkoekjes waar zij vaak op trakteerde. Zus en Jaap kregen twee zonen: Mozes David (27-05-1931) en David Mozes (19-05-1933). Hun oma, Cato de Lange-Coster, was volgens een aantekening op haar Joodse Raad kaart ‘zenuwpatiënte.’ De buurman omschreef dit als ‘dement en stokdoof’. Over David, bijgenaamd de Neus: “Bij het binnenrijden van de Duitsers stond David bij de buurvrouw op de stoep te kijken. Op een gegeven moment zei zij tegen De Lange: “Ga toch naar binnen, want aan jouw grote neus zien ze direct dat je Jood bent!”
Voor de dementerende Cato zullen de beperkende maatregelen waar de familie mee te maken kreeg in de beginjaren van de oorlog lastig te bevatten zijn geweest. Nadat begin 1941 de aanmeldingsplicht voor Joden van kracht werd is in de archiefstukken te zien dat ook de Raalter Joden in februari deze verplichte aanmeldingsbewijzen aanschaften voor één gulden. Later dat jaar moesten fietsen worden ingeleverd en waren Joden op veel verschillende plekken niet langer welkom. Het verbod om veemarkten te bezoeken zal er bij de familie De Lange flink ingehakt hebben. En na de invoering van de Jodenster in mei 1942 volgde in juni de maatregel waarbij de fietsen moesten worden ingeleverd. Van Sjaak de Lange is bekend dat hij op deze manier op de 24e juni zijn rijwiel van het merk Atlanta kwijtraakte.

Van Cato is bekend dat zij in 1943 samen met haar 91-jarige plaatsgenoot Rachel Lutraan naar het ziekenhuis Angeli Custodes in Raalte werd gebracht en van daar per ambulance op 10 april 1943 naar kamp Westerbork is gebracht.

In augustus 1942 kwamen de oproepen voor de Joodse mannen uit Raalte om zich te melden voor de werkkampen. Met andere Joodse mannen uit Raalte moesten ook Jaap, Sjaak en hun zwager Jaap zich melden in het werkkamp de Wittebrink bij Hummelo. De mannen hielden zich in dit kamp, waar de leefomstandigheden redelijk waren, bezig met het kappen van bomen, het uitgraven van stobben en het egaliseren van gronden.

Monument op de plek van het werkkamp

Op vrijdag 2 oktober 1942 kregen de mannen na terugkomst van het werk in het kamp te horen dat ze de volgende dag zouden vertrekken. Via het station van Arnhem, dat die zaterdag diende als verzamelplaats voor Joodse mannen uit verschillende werkkampen in de omgeving, kwamen de mannen die zaterdagmiddag aan in kamp Westerbork. De broers Sjaak en Jaap waren daar samen want bij beide staan dezelfde baraknummers genoteerd: eerst verbleven ze in barak 61, later 58. Beide waren grote woonbarakken met 300 tot 400 slaapplekken in stapelbedden van driehoog. Sjaak en Jaap worden genoemd in een brief die Betje Zwarts-de Lange, een nicht van de mannen en de zus van hun zwager Jaap, die met haar man Sam, dochter Dini en zoon Moosje op hetzelfde moment in Westerbork verbleef, schreef vanuit het kamp op zondag 11 oktober 1942. De brief is te vinden in het boek Raalte in Oorlogstijd 40-45: “Sjaak en Jacob zijn hier nog wel. Die jongens lijden ook honger en dat is wat. Als wij een beetje eten over hebben dan bewaren wij dat wel maar wij krijgen soms zelf niet genoeg en dat is wat om ook voor zooveel menschen eten te geven. Dat valt ook niet mee en het is alle dagen kool en wortels, maar dat hindert niet. Als je honger hebt eet je alles en wij hopen nog altijd dat wij weer beter krijgen.” Na het leeghalen van de Joodse werkkampen was kamp Westerbork overvol. Meer dan 15.000 mensen verbleven in het kamp en er was, zoals uit de beschrijving blijkt, niet voldoende te eten. Nadat de schrijfster van de brief met haar gezin eind oktober naar Auschwitz was vertrokken, bleven Sjaak en Jaap nog enige maanden in kamp Westerbork. Onbekend is wat zij er deden, maar gezien het langere verblijf hadden de broers een baantje in het kamp. Met het transport van 16 februari 1943 vertrokken de broers uiteindelijk naar Auschwitz. Een overlevende schat dat van de meer dan 1100 gedeporteerden van dit transport ongeveer 200 mannen tussen 18 en 40 jaar bij aankomst werden geselecteerd voor arbeid. Ook Sjaak en Jaap hoorden bij die groep. Bijna niemand kon deze onmenselijk zware arbeid lang volhouden. De sterfdatum van zowel Sjaak als Jaap is 30 april 1943 Auschwitz.

Ook Elisabeth de Lange-de Lange, Zus, wordt genoemd in de brief van haar schoonzus Betje Zwarts. Zij was met haar zonen Mozes en David in hetzelfde weekend als haar man en broers in Westerbork aangekomen. Met andere Joodse inwoners van Raalte waren zij op die 2e oktober 1942 thuis opgehaald en naar het gemeentehuis gebracht. Van daar vertrokken zijn naar Westerbork. Het door ooggetuigen overgeleverde verhaal over dit oppakken is opgeschreven in het boek “Gebroken Joods leven in Raalte”: ‘De vrachtwagen stond voor de deur bij Jaap en Elisabeth de Lange, die wij altijd Betje noemden en de Duitsers zorgden ervoor dat zij uit hun huis kwamen en geen kans kregen om te ontsnappen; ook de beide jongens David en Moosje moesten naar buiten allebei zo ongeveer 10 jaar oud en in de vrachtwagen plaats nemen. Betje was helemaal overstuur en riep en schreeuwde meerdere keren Ik wille eerst nog noar mien mo hen, die wille ik nog eerst gedag zeng. Maar die smeekbede werd door de Duitsers niet beloond, sterker nog zij werd met harde hand in de vrachtwagen geduwd.’
Het gezin kwam op 3 oktober aan in Westerbork en was er maar kort. Betje Zwarts schreef: “Het is hier verschrikkelijk. Als wij dat overleven zijn er boekdelen van te drukken. Zus en Jaap en de kinderen zijn ook al weg en Hartog ook. Het is verschrikkelijk. Heb onze Jaap helemaal niet goedendag gezegd. Ben er kapot van en dan zijn er 3 broers van Sam weg.” Met het transport van 9 oktober waren Zus, Jaap en de zonen Mozes en David naar Auschwitz getransporteerd. Elisabeth en haar zonen zijn direct bij aankomst vermoord. Jaap op 30 november 1942.

David en Cato waren na het vertrek van hun kinderen alleen achtergebleven. Van Cato is bekend dat zij in 1943 samen met haar 91-jarige plaatsgenoot Rachel Lutraan naar het ziekenhuis Angeli Custodes in Raalte werd gebracht en van daar per ambulance op 10 april 1943 naar kamp Westerbork is gebracht. Daar ging Cato niet zoals Rachel Lutraan meteen met het eerstvolgende transport naar Sobibor, maar mocht ze de komst van haar man afwachten. David was op 10 april 1943 aangekomen in kamp Vught. In dat kamp moesten de in de provincie overgebleven Joden zich melden toen het verblijf in Nederland buiten Noord- en Zuid-Holland voor hen verboden werd.


David was een maand in Vught en werd, met een transport van in totaal 1285 personen, op 9 mei 1943 overgebracht naar kamp Westerbork. Hij en zijn vrouw werden korte tijd later met het transport van 18 mei 1943 gedeporteerd naar Sobibor, waar zij met alle 2511 personen van dit transport en als laatsten van hun gezin, direct na aankomst op 21 mei 1943 werden vermoord.

In Raalte zijn in 2014 en 2015 struikelstenen gelegd voor de vermoorde Joodse inwoners van deze plaats.

Al veel eerder was er een gedenkplaat met de familienamen van de omgekomen Joden uit Raalte geplaatst op de voormalige synagoge in Raalte.

Dit verhaal is mede gebaseerd op gegevens uit de boeken Raalte in oorlogstijd 40-45 van Richard Woolderink en Gebroken Joods leven in Raalte van de Werkgroep Stolpersteine Raalte.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.