Jan Arend Grobbe

Op donderdag 12 oktober 1944 werd er in het zuiden van Nederland nog verwoed tegen de Duitsers gevochten. De Slag om de Schelde was zijn tiende dag ingegaan en in het gebied rondom Overloon waren de Britten met hun Operatie Constellation gestart om de Duitse troepen ten westen van Venlo te verdrijven. Boven de rivieren was het een inktzwarte dag. In Enschede (vliegveld Twente), Groningen, Utrecht (fort de Bilt), Kampen en bij de spoorwegovergang in het Friese Nijeholtwolde werden negen Nederlanders doodgeschoten door de Duitsers. Albert Konrad Gemmeker (1907-1982) had op deze dag precies twee jaar de leiding over het Polizeiliches Durchgangslager Westerbork en had inmiddels vele tienduizenden gevangenen zien vertrekken uit zijn kamp. In het verre Auschwitz werd Philip Mechanicus, één van die gedeporteerden – met zijn boek In Depôt de belangrijkste chroniqueur van het doorgangskamp op de Drentse heide – doodgeschoten. En in het kamp waar commandant Gemmeker de leiding had stonden op 12 oktober 1944 vlak bij het crematorium zeventien verzetsmensen voor een Duits vuurpeloton. Het was de grootste fusillade van de zeven executies die daar, bij kamp Westerbork, tussen september en oktober 1944 zijn voltrokken. De 37-jarige Jan Arend Grobbe was een van de gefusilleerden.

Jan Arend Grobbe

Voornaam
Jan Arend
Achternaam
Grobbe
Geboortedatum
18 februari 1907
Geboorteplaats
Alphen aan den Rijn
Sterfdatum
12 oktober 1944
Sterfplaats
kamp Westerbork


Jan Arend Grobbe (1907-1944). Bron: www.oorlogsgravenstichting.nl.

Jan Arend Grobbe was de oudste zoon in een welgesteld Nederlands-Hervormd gezin met zes kinderen, vier meisjes en twee jongens. Zijn vader Arend Jan Grobbe (1877-1933) was afkomstig uit Zelhem en in Aarlanderveen terechtgekomen waar hij in wijk 5, nr. 17 een winkel dreef. Later kwam daar een winkel in Alphen aan den Rijn bij, waardoor hij in staat was de villa Vredelust
 daar voor 10 jaar te huren. (http://www.kasteleninzuidholland.nl/Fotopages/Vredelust%201908.htm) In 1908 verhuisde hij met zijn gezin naar 's Gravenhage. Daar werd hij een echte ondernemer die verschillende filialen in comestibles, fijne vleeswaren en koloniale waren had in Den Haag en Rijswijk. Daarnaast had hij een rederij waarvoor hij met de zeillogger IJmuiden 296 (https://www.scheveningen-haven.nl/info/schepen/index_ijm.php?nummer=296&lijst=175&af=IJM) vracht vervoerde. Alida Martina Hoogteijling (1881-1946), met wie hij in 1902 trouwde, was de dochter van een zadelmaker uit Alphen aan den Rijn. Jan Arend werd geboren in Aarlanderveen op 18 februari 1907 en bracht zijn jeugd door in Den Haag. Op 5 juli 1933 trouwde hij in Alphen aan den Rijn met de vier jaar oudere Neeltje Cornelia van Donk (1903-1946). Hij woonde toentertijd in de Stationsdwarsstraat 9 in Utrecht en verdiende zijn brood als handelsreiziger. Wanneer Grobbe met zijn vrouw naar Groningen is verhuisd, is niet met zekerheid te zeggen. In het Nieuwsblad van het Noorden (25-11-1936) van begin oktober 1938 staan advertenties van de atletiekvereniging Eclecta met daarin de naam van mevr. Grobbe-van Donk, die informatie kan geven over de afdeling voor dames-seniores. Haar woonadres is dan Reigerstraat 12a. In de oorlog woonden Grobbe met zijn vrouw aan de Nassaulaan 27, waar hij vertegenwoordiger is.

Verzet

Grobbe was tijdens de oorlog bij twee verzetsgroepen betrokken: de Nulgroep en de K-groep. Hij hield zich blijkens zijn verzetskaart als hoofdkoerier veel bezig met koerierswerk waarvoor hij de schuilnaam ‘van Loenen’ gebruikte. De oorspronkelijke benaming voor de Nulgroep was ‘groep Kroon’, genoemd naar Jaap Kroon, de schuilnaam van Jaap Heuvingh (1916-1976). Hij was ambtenaar bij de PTT en sinds begin 1943 de leider van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) in de provincie Groningen. In januari 1944 werd besloten dat men in de groep geen namen meer zou gebruiken; ieder lid kreeg een nummer dat met een 0 (nul) begon. In het gedenkboek Het grote gebod van de LO en LKP (de Landelijke Knokploegen) staan vijftien leden van deze groep, onder wie Grobbe, afgebeeld van wie de meesten zijn gearresteerd of geëxecuteerd. Bij een andere groep, die van rijksklerk bij het parket van de officier van justitie Hessel van der Zee (1918-1944), die onder de schuilnaam ‘zuster Jo’ opereerde, werd eveneens een dergelijk nummersysteem ingevoerd, alleen werd daar in plaats van een 0 (nul) de letter K gebruikt, vandaar de naam K-Groep. Deze groep werd op 21 januari 1944 na een fusie met de groep van Wim Lindens gevormd. Zij had haar hoofdkwartier aan Martinikerkhof 19. Beide groepen hielden zich voornamelijk bezig met het verbergen van joden en onderduikers en het frauderen met bonkaarten voor levensmiddelen.


Van der Zee als 'zuster Jo'. Bron: https://www.nmkampvught.nl/biografieen/zee-hessel-van-der/.


Eind 1943 kondigde de bezetter een nieuwe maatregel af. Elke Nederlander moest zich naast zijn persoonsbewijs voortaan ook legitimeren met een Tweede Distributiestamkaart. Zo werd het verzetswerk een stuk moeilijker, want de onderduikers hadden die distributiestamkaart niet. Een lid van de K-groep met de schuilnaam K 15194410 vroeg de andere nummers aan hem door te geven in welke gemeente de onderduikers ondergebracht waren, zodat nieuwe stamkaarten gemaakt konden worden. Wellicht heeft Grobbe een rol gespeeld bij het beantwoorden aan deze oproep.

Grobbe was tijdens de oorlog bij twee verzetsgroepen betrokken: de Nulgroep en de K-groep.

Verraad

In de zomer van 1944 kwam Van der Zee in contact met een student notariaat Harm Bouman (1917-2001) die beweerde tekeningen te hebben van een bunker in Delfzijl. Om uit te zoeken of zijn beweringen wel klopten, werd een vergadering belegd. De student was echter een mol van de Sicherheidsdienst (SD) en de hele K-Groep werd vanaf 2 juni 1944 opgepakt. Van der Zee werd de volgende dag in hechtenis genomen. Grobbe besloot onder te duiken, maar ook hij werd tenslotte op 9 oktober 1944 gearresteerd samen met Catherina Vermeulen, die hem onderdak verschaft had. De leden van de K-Groep werden overgebracht naar Huis van Bewaring (Van der Zee) of belandden zoals Grobbe in het Scholtenhuis.

Tijdens zijn verhoor werd Jan Arend door drie SD’ers verhoord, wat in de praktijk op martelen neerkwam. Wat zo’n ‘verhoormethode’ inhield beschreef Bouman tijdens zijn naoorlogse gevangenschap in De brede weg:

‘De ondervraging begon normaal. Bij weigering, ontkenning, niet-weten of liegen volgde onvermijdelijk het bewuste ‘pak voor de broek’ met de gummiknuppel. Het overgrote deel, gerust 95%, hield dat pak slaag niet uit. Na de eerste slagen schreeuwden ze reeds, dat ze de waarheid zouden zeggen. Ze beantwoorden alle vragen, ja in hun angst vertelden ze meestal nog veel meer. Hielden ze het pak slaag uit, dan keken de ondervragers elkaar aan, want dan wisten, ze dat de met een KEREL te doen hadden. De grovere middelen werden dan toegepast. Het pak voor de broek werd met regelmatige tusschenpoozen herhaald, waarbij steeds weer op dezelfde plaats werd geslagen. Een zeer pijnlijke geschiedenis. Verder de donkere cel, de vastkoppeling aan de centrale verwarming, het slaan en stompen met de gummiknuppel in de maag, het ijskoude bad (soms wel een uur lang).'

Eén van zijn beulen was de in Keulen geboren loodgieter en thans SD-Unterscharführer Josef Kindel (1912-1948). Eén van zijn specialiteiten was de opgehitste Duitse herdershond Astrid los te laten op gevangenen. Deze hond was oorspronkelijk van Polizeiangestellte Zacharias Sleijfer (1911-1953), maar Kindel zorgde regelmatig voor het dier. In februari 1945 nam de Duitser de hond over van Sleijfer. Zijn collega Bouman noemde Astrid een 'boosaardig beest'. Medegevangenen hebben gezien dat Grobbe onder de hondenbeten zat. Evert Drost (1906-1949), bijgenaamd ‘De schrik van het noorden’, hanteerde bij verhoren op forse wijze de gummiknuppel, terwijl hij ook meehielp bij de ‘badkuur’ schreef de journalist van het Nieuwsblad van het Noorden in zijn verslag van de naoorlogse rechtszaak. Hij en een derde SD’er waren de andere twee die Grobbe verhoorden.

De executie

Op basis van naoorlogse getuigenissen van zowel kampgevangenen als leden van het vuurpeloton is het mogelijk geweest een beschrijving van de executie van de zeventien slachtoffers te reconstrueren.

In de vroege ochtend van 12 oktober 1944 kreeg de 37-jarige Wilhelm Stöwsand, SS-Hauptsturmführer en tot half september 1944 leider der Sicherheitspolizei (Sipo) te Breda, van Obersturmführer Josef Anders in het Scholtenhuis te Groningen de opdracht om zeventien gevangenen naar Westerbork te brengen. Voor het welslagen van de onderneming, voegde Anders hem toe, droeg Stöwsand de volle verantwoordelijkheid. Daarop ging deze SD’er om 05.30 uur naar de zolder waar de zeventien in hun cellen opgesloten zaten. Deze taak had hij ook bij de executie van 25 september 1944, waarbij twaalf verzetsstrijders werden gefusilleerd, op zich genomen. Hij las hun namen voor waarna de gevangenen naar beneden werden geleid en in een gereedstaande vrachtwagen geduwd. Hijzelf nam met Oberleutnant der Schutzpolizei Martin Schmidt (1903-?), de leider van het executiepeloton, in de andere vrachtwagen plaats. Oberwachtmeister der Ordnungspolizei Josef Adam en zijn collega’s Johan Stulze, Thoma en Julius Nachbauer en een aantal medewerkers van de Sicherheitsdienst als Ernst Paul Jendgens en een zekere Backler stapten eveneens in.

Na aankomst in Westerbork werden Stöwsand en Schmidt door kampcommandant Gemmeker begroet en daarna zou de commandant de executieplaats vlak achter het crematorium hebben aangewezen en de executie ook hebben bijgewoond. Op basis van getuigenissen na de oorlog is het mogelijk geweest een precieze beschrijving van de executie van de zeventien slachtoffers te reconstrueren.

De mannen werden in twee groepen verdeeld en naar de fusilladeplaats gebracht. Daarop werden ze in een rij opgesteld waartegenover op korte afstand het executiepeloton zich opstelde. De verzetsstrijders werden met karabijnschoten gedood, waarna ze met een pistool een genadeschot kregen. Hierna werd de tweede groep mannen op dezelfde wijze en door dezelfde personen gefusilleerd. Het is niet bekend of Jan Arend Grobbe tot de eerste of tweede groep gefusilleerden behoorde. Na afloop trakteerde Stöwsand de leden van het executiepeloton op een glas jenever.

De crematie

Na de executie werden, aldus Stöwsand, de ringen, papieren en andere waardevolle voorwerpen door iemand van de SD verzameld en aan hem overgedragen. Hij deed de eigendommen van de gevangenen in een enveloppe en stelde die ter hand aan Obersturmführer Anders, waarna hij ze op diens bevel aan Untersturmführer dr. Ernst Knorr (1899-1945) van de SD moest afgeven.

Het bevrijdingsportret over Manus Pront geeft een andere lezing. Pront en medegevangene Selfried Fuchs zouden de opdracht hebben gekregen de lichamen van de mannen één voor één in het crematorium van kamp Westerbork te cremeren. Zij zouden veel persoonlijke bezittingen van deze mannen verzameld en in een doos in het bos begraven hebben. Op de achterkant van de deurpost van het crematorium, een plek waar het niemand opviel, hebben ze elke keer de datum en het aantal mensen dat ze moesten verbranden ingekrast, waardoor alle mannen na de bevrijding geïdentificeerd konden worden.

Naoorlogs eerbetoon

Op vrijdag 26 oktober 1945 stond in de Provinciale Drentsche en Asser courant het bericht dat Groningen een week later zijn verzetsmannen wilde herdenken. Voor het eerst konden de lezers de namen van alle 36 gefusilleerden van september en oktober 1944 lezen. Het voormalige illegale dagblad Trouw bracht op Allerzielen een speciaal rouwnummer uit, waarin de foto’s van de gefusilleerden stonden afgedrukt. De opbrengst kwam ten goede aan de bekostiging van dat gedenkteken en abonnees werden opgeroepen daarvoor geld te schenken.



In de ochtend van 2 november 1945 begaf een grote zwijgende menigte zich naar het Provinciehuis in Groningen. In de hal stond een zwarte urn, symbool voor de stoffelijke resten van de 45 slachtoffers van het nazigeweld, opgesteld te midden van een zee van bloemen. Om twaalf uur begon de rouwdienst in de Martinikerk op de Grote Markt. Na Ases Tod van de Noorse componist Edvard Grieg volgden toespraken van mr. E.H. Ebels (1889-1970), de Commissaris der Koningin en een medeverzetsstrijder, waarna de dienst met de treurmars uit de derde symfonie van Ludwig von Beethoven besloten werd.

Vier wagens met bloemen escorteerden de lijkwagen, die vervolgens koers zette naar de begraafplaats Esserveld, waar de urn ten grave gedragen werd. Op 4 mei 1948 werd het oorlogsmonument van de Groningse beeldhouwer Willem Valk (1898-1977) onthuld. Op de zandstenen U-vormige muur in vak S staan de namen van 43 verzetsstrijders (op twee stenen staat geen naam) gebeiteld, Jan Arend Grobbe is één van hen.


Monument op de begraafplaats Esserveld

Pas een jaar na de executie werd Grobbes echtgenote in kennis gesteld van het doodschieten van haar man. Hessel van der Zee werd na zijn arrestatie en ondervraging op transport gesteld naar Kamp Vught, waar hij op 22 augustus 1944 werd geëxecuteerd.

Naoorlogse processen

Na de oorlog werden in het kader van de bijzondere rechtspleging in Nederland bijzondere gerechtshoven opgericht om oorlogsmisdadigers en collaborateurs te berechten. Het Bijzonder Gerechtshof in Leeuwarden had drie strafkamers: een Friese, een Groninger en een Drentse Kamer. De zittingen in Groningen werden gehouden in de rechtszaal van de Arrondissementsrechtbank in de Oude Boterstraat. In de jaren 1945 tot en met 1949 verschenen de beulen van het Scholtenhuis voor hun rechters.

De verrader Harm Bouman kwam pas in oktober 1949 voor de Bijzondere Strafkamer van de Arrondissementsrechtbank van Groningen, de opvolger van het Bijzonder Gerechtshof. Na zijn arrestatie verklaarde hij mee wilde werken aan alle onderzoeken van justitie en hij werd daarom vaak opgeroepen om als getuige op te treden in de rechtszaken van zijn collega’s. Tijdens zijn gevangenschap had hij dankzij zijn open houding van de Politieke Opsporingsdienst (POD) een typemachine gekregen om zijn autobiografie De brede weg te schrijven, die later door de rechercheurs van de POD werd gebruikt bij de verhoren van andere SD’ers van het Scholtenhuis. Voor het eigenhandig doodschieten van vier mensen en het meewerken aan brandstichtingen, mishandelingen en arrestaties werd hij op 17 oktober 1949 veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf. Zijn gratieverzoek werd in 1953 afgewezen, in 1964 werd hij na een gevangenschap van negentien jaar in vrijheid gesteld, waarna hij dankzij een voltooide studie economie een succesvolle carrière opbouwde bij een Engelse multinational.

Na de oorlog werd Josef Kindel ervan beschuldigd o.a. in Makkum, Anloo en Norg deelgenomen te hebben aan tal van executies en oorlogsmisdrijven. Kindel kwam niet voor zijn rechters, hij overleed op 5 augustus 1948 aan een hersenbloeding in het Huis van Bewaring in Almelo. Toch rezen er twijfels of hij een natuurlijke dood was gestorven. De tenlastelegging tegen Drost besloeg ruim vier bladzijden dicht getypte tekst en dat was dan nog maar de samenvatting van de ernstigste gevallen als moorden, mishandelingen, arrestaties, fusillades en brandstichtingen. De officier van justitie eiste op 10 oktober 1948 de doodstraf, die de rechter vijftien dagen later in zijn veroordeling overnam. Op 28 juli 1949 werd het vonnis voltrokken. Zacharias Sleijfer werd na de bevrijding gearresteerd en na een psychiatrisch onderzoek bleek dat hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar was. Hij werd opgesloten in een psychiatrische inrichting in Franeker waar hij na twee jaar in september 1952 genezen werd verklaard waarna hij bij een garagebedrijf ging werken. Hij overleed in 1953.

Ook leden van het executiepeloton moesten na de oorlog verantwoording afleggen voor hun misdaden. Stöwsand was voor hij naar Groningen kwam tot half september 1944 leider van de Sicherheitspolizei (Sipo) in Breda. Wegens arrestatie van Joden en mishandelingen van onder meer Joodse gevangenen werd hij na een eis van acht jaar door het Bijzonder Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot vijf jaar en op 16 juni 1949 naar Duitsland uitgezet. Daardoor was het voor de Noord-Nederlandse justitie waarschijnlijk onmogelijk om hem ook nog ter verantwoording op te roepen. Voor het leiden van diverse executiepelotons in Westerbork kreeg Martin Schmidt in 1949 een eis van tien jaar te horen, die werd omgezet in zeven jaar hechtenis. Knorr werd eind mei 1945 op Schiermonnikoog gevangengenomen en naar Groningen overgebracht. Op 7 juli werd hij dood in zijn cel in de Scheveningse gevangenis aangetroffen. Onduidelijk was of hij zelfmoord had gepleegd of aan ernstige mishandelingen bezweken was. Jendgens kreeg na de oorlog 12 jaar wegens deelname aan de executie van tien personen, aan een vergeldingsexecutie en een eigenhandige executie van een persoon.


De namen van de vermoorde verzetsstrijders op de voormalige executieplaats bij kamp Westerbork.

Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork
  • Oosthalen 8, 9414TG Hooghalen
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.